donderdag, oktober 19, 2006

Week 6

Thema: Overtuigend beargumenteren.


Where Television and Internet meet
Internet en televisie streven beide naar de eigenschappen die de ander bezit. Uiteindelijk zullen deze media elkaar ergens ontmoeten, maar wat er dan gebeurd is de vraag. Wat er zou kunnen gebeuren bespreekt Harry van Vliet in zijn artikel “Where Television and Internet meet…: New experiences for rich media.” Hij gaat in dit artikel in op de mogelijkheden die er bij media bestaan, waarna hij deze met elkaar verbindt. Ook bespreekt hij nog het debat dat gaande is tussen voor en tegenstanders van de vermenging van beide media

Televisie is een medium dat beschikt over multimediale kwaliteit en servicetoegang. Internet daarentegen beschikt over connectiviteit en interactiviteit. Wanneer internet meer bandbreedte zou hebben (meer servicetoegang) zou het de mogelijkheden voor televisie kunnen vergroten op het gebied van bijvoorbeeld interactiviteit. Dit zou dan moeten gebeuren in de vorm van streaming. Van Vliet ziet in dit geheel de Home Media Server (HMS) een centrale rol innemen. Dit is het apparaat dat de consument met de distributiekanalen verbindt, maar ook met elkaar. Een voorbeeld hiervan is het kunnen opnemen van een programma voor een bekende, die dit op zijn beurt van jouw persoonlijke HMS kan streamen. Dit is een vorm van Peer to Peer (P2P).

Binnen dit geheel lijkt personificatie een belangrijke rol te spelen. Niet alleen op het gebied van het selecteren van programma’s door intelligente opnamesystemen, maar ook voor het aanbieden van reclame. Advertenties die tegenwoordig op televisie worden vertoond, kosten veel geld en bereiken maar een heel klein gedeelte van de doelgroep. Een nieuwe vorm van televisie kan de mogelijkheid bieden voor nieuwe vormen van marketing, die specifiek zijn voor de kijker van een programma. Wanneer er bijvoorbeeld een sportwedstrijd wordt uitgezonden, kunnen er, zonder dat er naar een speciaal reclameblok wordt gegaan, sportspecifieke reclames worden getoond. Of mensen kunnen bijvoorbeeld door nieuwe interactiemethoden kleding kopen die acteurs in een soap dragen.

Hoewel er mensen zijn die er volledig van zijn overtuigd dat er een vermenging zal plaatsvinden van internet en televisie, zijn er ook minder positieve visies. Dit kan zijn op het gebied van technologische, economische of sociaal-culturele aspecten. Echter wanneer de media op een aantal punten misschien niet samengaan, wil dit nog niet zeggen dat ze ervoor kunnen zorgen dat ze muteren. De media internet en televisie kunnen volgens Van Vliet samengaan op de volgende punten: inhoud, technologie, bedrijven en diensten. Echter is dat op het gebied van distributie en vormen van gebruik volgens hem niet mogelijk of onwaarschijnlijker dan de vorige vier.

Ook bij dit vraagstuk over een technologische ontwikkeling, kan men stilstaan bij het debat of de technologie de maatschappij bepaald of de maatschappij de technologie. Van Vliet is echter van mening dat de consumenten nooit het beste product zullen krijgen, maar het product dat voor de bedrijven het meer winstgevend en te exploiteren is.

Hoorcollege 17-10-2006
Op 17 oktober was Elsa Gorter te gast bij het hoorcollege. Elsa werkt bij de VPRO aan het programma Holland Doc. De VPRO is volgens haar een ‘early adopter’ van de digitale mogelijkheden die bij televisie kunnen worden geïntroduceerd. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld 3voor12. Elsa was dan ook een aangewezen persoon om wat meer te komen vertellen over digitale televisie en de stand van zaken omtrent dit mediafenomeen.

Digitale televisie onderscheid zich van analoog televisie ontvangen op het gebied van aanbod. Het aanbod groeit namelijk door de digitale televisie en wordt daarbij op een andere manier georganiseerd. Andere partijen krijgen daardoor de mogelijkheid toe te treden tot de markt, met als gevolg dat er ‘amateurisatie’ plaats vindt.

Het kijken naar deze digitale televisie kan in verschillende vormen. Enhanced kijken levert verrijkende televisie op. Bij interactief kijken kan onderscheid worden gemaakt tussen het exploratief kijken, waarbij de volgorde al is bepaald en de kijker hierbinnen keuzes kan maken, of constructief, waarbij de kijker kan ingrijpen in het proces. Verder kan het televisiekijken worden depersonaliseerd.

Wil digitale televisie in een zo dichtbekabeld land als Nederland een succes worden, dan zijn er nog wel een aantal obstakels te nemen. Binnen de huidige marktsituatie is de analoge kijker in Nederland erg ‘verwend’ en is het digitale televisielandschap chaotisch. Op het gebied van regels en wetten ligt de auteurswet in de weg. Deze is namelijk moeilijk in de context van de digitale cultuur in te passen, omdat de eenvoud van opslag en reproductie ervoor zorgen dat de wet moeilijk te handhaven is. De techniek is er ook nog niet helemaal klaar voor qua bandbreedte en opslag. Verder is de consument ‘onwetend’ en faalt de politiek in het ordenen van de marksituatie en het informeren van de consument.


Werkcollege 19-10-2006

Dit werkcollege ging over drie stellingen en drie verschillende groepen die oefenen voor het einddebat. De opzet van het eerste uur van het werkcollege zag er veelbelovend uit. Er kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dat de groepen hun uiterste best deden om goed uit de verf te komen. Hieruit vloeide goede debatten voort met groepen die aan elkaar gewaagd waren. Wat weer duidelijk werd, was dat het vormen van een blok als groep sterk overkomt op anderen. Het advies om een duidelijke lijn te kiezen als groep en elkaar de ruimte te geven, werkte voor het groepje waar ikzelf deel van uitmaakte. De openingsanekdote die door mij werd gebruikt, werkte echter niet geheel. Het hebben van een goede anekdote op het begin is belangrijk om je kijk op het onderwerp weer te geven. Echter blijft het van belang om ervoor te zorgen dat juist in dit voor te bereiden stuk, geen slechte voorbeelden of foute begrippen worden gebruikt. Mocht dit wel het geval zijn, dan kan dat ten koste gaan van je geloofwaardigheid of overtuigingskracht.

In het tweede uur werden twee nieuwe vormen uitgeprobeerd. Als eerste kwam een vorm aan bod waarbij iedereen om de beurt zijn mening mocht geven, waarna er eventueel nog een ronde werd gehouden voor de mensen die nog behoefte hadden om een opmerking te maken. Uiteindelijk zou de groep tot een consensus moeten komen zonder duidelijk op elkaar gereageerd te hebben. Dit werkte uiteindelijk wel, maar de vraag werd gesteld hoe deze vorm paste binnen het scherpe en competitief debatteren van de cursus. De laatste en tweede vorm betrof een soort van carrouselvorm. Iemand opende met binnen 30 seconden een punt te maken. Daarop mochten de eerste persoon van de tegenstander dan 30 seconden reageren en daarna in eenzelfde hoeveelheid tijd zijn eigen mening formuleren. Dit duurde totdat iedereen aan de beurt was geweest. Deze vorm zorgde voor een duidelijk overzicht van het debat, omdat er telkens werd samengevat. Ook werd er over het algemeen minder bij eenzelfde thema gebleven. Op kleine schaal zouden deze methoden kunnen worden gebruikt om te brainstormen over een onderwerp, echter lijkt het debatteren dat ter sprake kwam binnen de cursus, niet gebruik te kunnen maken van deze methoden. Daarvoor is het te moeilijk om een duidelijke voor- en tegenpartij te creëren, omdat studenten snel neigen naar een consensus.


Ground Rules

Er kwamen dit werkcollege weer een aantal punten langs die ik al heb opgenomen in mijn ground rules. Echter was er toch een nieuw leerpunt deze week, ofwel een nieuw punt voor in mijn ground rules; het geven van een voorbeeld. Het geven van een voorbeeld kan namelijk tegen je gebruikt worden in een debat of zelfs je anekdote niet geloofwaardig laten overkomen. Een voorbeeld goed gebruiken kan echter een situatie verduidelijken en voor een overtuigingskracht zorgen, daarom moeten voorbeelden altijd zorgvuldig worden gekozen.

Presentatie:

De houding of het fysiek binnen een presentatie, maar ook binnen het debat, zijn van essentieel belang. De uitstraling die je hiermee creëert, kan bepalend zijn voor de opvatting die de tegenstander over je construeert. Zoals gebleken is in het werkcollege, is het hebben van handen in de zakken of een hand voor de mond terwijl er gesproken wordt, een negatieve uitwerking heeft. Binnen dit gedeelte valt ook het hebben van een open houding, waarmee de aandacht van de tegenstander en het publiek kan worden getrokken. Verder is het van belang de persoon aan te kijken tegen wie het verhaal verteld wordt. Op deze manier heeft de persoon in kwestie een groter gevoel van betrokkenheid. Dit is ook van belang om de aandacht van het publiek erbij te houden en geeft de spreker een zelfverzekerdere houding die nodig is om een ander van een standpunt te kunnen overtuigen.

Het is bij de presentatie van de positie ten opzichte van de stelling van belang dat deze duidelijk is. Omdat er bij de stelling twee extremen mogelijk zijn, is het van belang een van deze extremen op het begin zoveel mogelijk in te nemen. Dit geeft de tegenstander minder ruimte. Duidelijk spreken, zonder het veelvuldig gebruik van het woordje ‘euh’ is een pré.

De argumentatie in de presentatie dient kort en bondig te zijn, waarbij de tijd in ogenschouw moet worden gehouden. Het komt wel eens voor dat iemand zijn punt nog niet heeft gemaakt waardoor deze mogelijkheid ook vervalt. Echter kan het ook voorkomen dat er nog veel tijd over is die benut had kunnen worden om de tegenstander te overtuigen voor een standpunt op het gebied van meerdere thema’s.

Wanneer als tweede gepresenteerd dient te worden, werkt samenvatten van wat de ander gezegd heeft verhelderend. Op deze manier kan de ander worden samengevat op een manier waardoor dit in het eigen voordeel kan werken.

Het is van belang dat, wanneer er in een groep wordt gedebatteerd, de groepsleden samen van te voren hebben afgesproken welke lijn ze binnen een debat kiezen. Op deze manier kunnen ze elkaar niet alleen ondersteunen, maar ook een punt steeds verder uitdiepen. De kans dat op deze manier het debat naar deze éénlijnige partij kantelt wordt dan groter, omdat het debat op deze manier makkelijker te sturen is.

Een voorbeeld dat gegeven wordt binnen een anekdote tijdens de presentatie van een standpunt moet éénduidige zijn. Wanneer het namelijk op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd, kan het tegen je worden gebruikt. Kies daarom je voorbeelden zorgvuldig. Deze regel geldt uiteraard ook voor het debatteren zelf.

Debatteren:
Om een duidelijk debat te voeren moeten beide partijen een duidelijke positie innemen ten opzichte van de stelling. Deze stelling zorgt daar zelf al voor, maar grijze gebieden moeten duidelijk gedefinieerd worden naar de positie van elke partij.

Een goede voorbereiding zorgt ervoor dat een partij in het debat kennis van zaken heeft. De kennis kan goed gebruikt worden, vooral wanneer deze bronnen bevat. Het gebeurt nog niet veel, maar wanneer er een bron wordt gebruikt komt dit veel krachtig over. Echter moet deze bron wel duidelijk worden geven. Het is wel eens voorgekomen dat iemand zei: ”Ik heb ergens gelezen dat…, maar ik weet niet meer waar.” Dit komt totaal niet sterk over.

Het is van groot belang dat je goed luistert naar wat de tegenstander te zeggen heeft. Niet alleen om te weten waarover deze het heeft of om een tegenargument te formuleren, maar bovenal om het levend debat te houden. Wanneer er niet wordt ingegaan op wat er gezegd wordt praten mensen langs elkaar heen en vindt er in principe ook geen debat meer plaats, maar twee losse monologen. Samenvatten kan hierbij een grote hulp zijn.

Tegen iemand in blijven gaan wanneer je weet dat hij gelijk heeft, is niet zinvol. Het is juist goed om toe te geven wanneer iemand een goed punt heeft. Wat daarbij krachtig werkt is de persoon erop attent te maken op welke facetten zijn punt hiaten vertoont. Dit ontkracht zijn argumentatie enigszins.

Het aandragen van nieuwe thema’s kan in je voordeel werken. Een debat wordt vaak niet binnen een thema, bijvoorbeeld privacy, gevoerd. De stelling binnen een nieuw thema plaatsen kan een voordeel verschaffen ten opzichte van de andere partij binnen het debat. Waar een stelling namelijk op binnen sommige thema’s goed uitpakt voor de ene partij is deze binnen een andere thema meer in het voordeel van de ander.

Voorzitter:

De voorzitter een neutrale partij. Deze neutrale positie dient hij of zij dan ook op elke moment te waarborgen. Het is niet goed wanneer een voorzitter partij kiest of een argument van een partij publiekelijk afkeurt. Deze partij is nodig om het debat in goede banen te leiden en ervoor te zorgen dat deze levend blijft. Deze neutrale partij treedt verder zoveel mogelijk op de achtergrond van een debat en heeft een ondersteunende functie.

De voorzitter stelt iedereen voor aan het begin en geeft tijdens het debat beurten. Het is van belang dat deze beurten niet systematisch worden gegeven, bijvoorbeeld het rondje afgaat, maar dat de mensen die op het zojuist gemaakte punt willen ingaan. De voorzitter kan daarbij ook het debat terugbrengen naar de stelling wanneer hier teveel van wordt afgeweken, wat een tactiek kan zijn van een partij.

Verder is het bevorderlijk wanneer de voorzitter kort samenvat wat partijen te zeggen hebben. Hierdoor blijft het duidelijk welke houding partijen innemen. Echter kan de voorzitter ook te veel en te lang samenvatten. Dit verstopt het debat en komt het daardoor dan ook niet ten goede.

Week 7

Einddebat
Om de cursus actief af te sluiten met de studenten binnen de gehele cursus, werd er op dinsdag 24 oktober een einddebat gehouden. De opzet was dat er acht groepen van vier personen die weer verdeeld waren over drie verschillende werkgroepen met elkaar in debat gingen. De stellingen voor dit debat waren door de docenten van te voren op het platform WebCT bekend gemaakt. Echter streden niet alleen de groepen op in de finale te komen, de vier groepjes voorzitters maakte kans om het finaledebat te mogen leiden.

Na de eerste ronde werd duidelijk dat met name werkgroep 1 over het algemeen de betere debatvoerders in zich had. Dit werd pijnlijk zichtbaar doordat alle drie de groepen uit deze werkgroep bij de laatste vier overbleven. Het verschil zat voornamelijk in de vorm waarop het debat gevoerd werd. De “1”-groepen kozen een gezamenlijke lijn die zij voorzetten en probeerde uit te bouwen, waar andere groepen soms allerlei kanten op schoten. Maar ook het vasthouden aan een onderwerp of lijn bleek niet altijd positief. Zo probeerde een groep in het laatste debat van de eerste ronde het eindelijk eens om het niet over het inmiddels uitgemolken onderwerp privacy te hebben. Ze trachten een ander thema aan te snijden. Helaas viel de tegenstander weer terug in het oude thema en hielpen de voorzitters niet echt mee om een nieuw en op dat moment verfrissend thema aan te snijden.

De halve finales werden weer overheerst door de groepen uit werkgroep 1. Ze leken zich beter te hebben voorbereid en de stellingen te hebben afgebakend. Het werd dan ook soms pijnlijk duidelijk dat uitspraken die zo goed als nergens op steunde, in verloop van tijd veel geloofwaardigheid konden verliezen, waardoor groepen verstrengeld raakten in hun eigen argumentatie. Tot uitspraak van het debat wil ik uitroepen: “Als je virtuele sex hebt, dan heb je tenminste sex!” Verder maakte ik deel uit van het winnende team dat naar mijn inziens vooral zijn overwinning heeft te danken aan de tijd en moeite die is gestoken in het voorbereiden van alle stellingen en niet alleen die van de eerste ronde. Punt Uit!

Evaluatie
Het laatste werkcollege van de cursus werd gebruikt om te evalueren. Wat hadden wel in het algemeen opgestoken? Welke punten moest zeker in je ground rules worden opgenomen? Hoe werd het einddebat ervaren en welke punten waren te verbeteren? Verder werd er in het tweede gedeelte van het werkcollege aandacht besteed aan een laatste debat. Op voorstel van Michiel zou dit plaatsvinden zonder voorzitter.

Ten eerste werd het einddebat besproken. Thomas was van mening dat iedereen die deel had genomen in het einddebat toe had gepast wat hij of zij in de cursus geleerd had en dat iedereen goed voorbereid was. Na al het oefenen tijdens de werkgroepen kon dit natuurlijk niet achterwege gelaten worden. Echter bleek dat de andere werkgroep hier veel minder mee geoefend had, waardoor het verschil bij het einddebat wellicht een beetje te verklaren is. Het einddebat was ook erg kort. Normaliter was er drie uur voor gepland, maar dit jaar was het met het oog op de kosten in twee uur gepropt. Dit zorgde voor een gehaaste sfeer, waardoor niet iedereen goed zijn zegje kon doen. Verder was het van belang dat je het debat, terwijl het gaande was, naar je toe probeerde te kantelen. Er werd ook nog geopperd dat met een dergelijke vorm moeilijk tot een consensus gekomen kon worden. Maar bij wetenschap draait het juist om de verschillen, en bij een dergelijke vorm komt dat goed tot zijn recht. Vandaar dat er bij de cursus gekozen is voor een dergelijke vorm. Ten slotte gingen de meeste mensen staan wanneer er gesproken werd. Dit was niet afgesproken, maar wel goed. Aangezien ik als eerste het woord kreeg tijdens het einddebat, kan ik concluderen dat het een goede keuze was om te gaan staan.

De bespreking van de ground rules wil ik onder dat kopje bewaren, en die zullen daarom hieronder besproken worden. In het laatste werkcollege kreeg iedereen ook nog een laatste commentaar op zijn blog. Ik moest mijn bespreking van lezingen en artikelen meer met elkaar verbinden. Dit heb ik wel nog geprobeerd te doen, de vraag blijft echter in hoeverre dit gelukt is. Er waren namelijk problemen met het aanpassen van post op mijn blog, vanwaar ik ervoor gekozen heb om het eerst helemaal in een tekstbestand, die we op papier moeten inleveren, uit te werken. Hierdoor kan er natuurlijk geen commentaar meer worden geleverd op mijn nieuwe ontwikkelingen. Verder was er een gebrek aan het plaatsen van de discussie in een groter wetenschappelijk debat en ontbrak het aan begrippen. Ook dit heb ik zover de tijd toeliet proberen te verbeteren.

Nadat iedereen aan de beurt was geweest vond er een laatste debat plaats. Dit debat betrof de aankoop van YouTube door Google. De vraag was echter of dit een slimme aankoop was geweest. Zoals hierboven al vermeld, vond dit debat plaats zonder voorzitter. En door het debat heen was goed te merken dat we de afgelopen weken veel hadden gedebatteerd, want de rol van voorzitter werd eigenlijk onder iedereen verdeeld. Er was veel wederzijds respect en er werd ook veel plezier beleefd aan het debatteren met elkaar. Er waren een paar mensen op het begin van het debat voor de stelling dat Google er goed aan had gedaan YouTube te kopen, en er waren er evenveel tegen. De overige personen moest naar verloop van tijd een kant kiezen op basis van hun argumenten. Tijdens het debat mocht er ook worden overgelopen naar de andere kant. Eigenlijk gebeurde dit overlopen zeer weinig, hoewel de tegenpartij naar verloop steeds meer aanhang begon te winnen. Zij hadden dan ook betere argumenten, een duidelijke lijn als groep en goed gebruik van bronnen. Hier werd weer duidelijk dat het toepassen van de ground rules essentieel is voor het winnen van een debat.

Groundrules

In het laatste college werden de algemene ground rules die waren samengesteld door de docenten doorgenomen. Hoewel deze zo goed als hetzelfde waren als die van vorig jaar waren er een aantal puntjes toegevoegd. Dit waren punt 9 en 10. Ik heb mijn eigen ground rules en de algemene onder elkaar gezet. Er zijn verschillen, in bijvoorbeeld de opdeling, maar ook een hoop overeenkomsten. Dit betekend voornamelijk dat door de cursus heen naar deze algemene round rules is toegewerkt.

Presentatie:

De houding of het fysiek binnen een presentatie, maar ook binnen het debat, zijn van essentieel belang. De uitstraling die je hiermee creëert, kan bepalend zijn voor de opvatting die de tegenstander over je construeert. Zoals gebleken is in het werkcollege, is het hebben van handen in de zakken of een hand voor de mond terwijl er gesproken wordt, een negatieve uitwerking heeft. Binnen dit gedeelte valt ook het hebben van een open houding, waarmee de aandacht van de tegenstander en het publiek kan worden getrokken. Verder is het van belang de persoon aan te kijken tegen wie het verhaal verteld wordt. Op deze manier heeft de persoon in kwestie een groter gevoel van betrokkenheid. Dit is ook van belang om de aandacht van het publiek erbij te houden en geeft de spreker een zelfverzekerdere houding die nodig is om een ander van een standpunt te kunnen overtuigen.

Het is bij de presentatie van de positie ten opzichte van de stelling van belang dat deze duidelijk is. Omdat er bij de stelling twee extremen mogelijk zijn, is het van belang een van deze extremen op het begin zoveel mogelijk in te nemen. Dit geeft de tegenstander minder ruimte. Duidelijk spreken, zonder het veelvuldig gebruik van het woordje ‘euh’ is een pré.

De argumentatie in de presentatie dient kort en bondig te zijn, waarbij de tijd in ogenschouw moet worden gehouden. Het komt wel eens voor dat iemand zijn punt nog niet heeft gemaakt waardoor deze mogelijkheid ook vervalt. Echter kan het ook voorkomen dat er nog veel tijd over is die benut had kunnen worden om de tegenstander te overtuigen voor een standpunt op het gebied van meerdere thema’s.

Wanneer als tweede gepresenteerd dient te worden, werkt samenvatten van wat de ander gezegd heeft verhelderend. Op deze manier kan de ander worden samengevat op een manier waardoor dit in het eigen voordeel kan werken.

Het is van belang dat, wanneer er in een groep wordt gedebatteerd, de groepsleden samen van te voren hebben afgesproken welke lijn ze binnen een debat kiezen. Op deze manier kunnen ze elkaar niet alleen ondersteunen, maar ook een punt steeds verder uitdiepen. De kans dat op deze manier het debat naar deze éénlijnige partij kantelt wordt dan groter, omdat het debat op deze manier makkelijker te sturen is.

Een voorbeeld dat gegeven wordt binnen een anekdote tijdens de presentatie van een standpunt moet éénduidige zijn. Wanneer het namelijk op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd, kan het tegen je worden gebruikt. Kies daarom je voorbeelden zorgvuldig. Deze regel geldt uiteraard ook voor het debatteren zelf.

Debatteren:
Om een duidelijk debat te voeren moeten beide partijen een duidelijke positie innemen ten opzichte van de stelling. Deze stelling zorgt daar zelf al voor, maar grijze gebieden moeten duidelijk gedefinieerd worden naar de positie van elke partij.

Een goede voorbereiding zorgt ervoor dat een partij in het debat kennis van zaken heeft. De kennis kan goed gebruikt worden, vooral wanneer deze bronnen bevat. Het gebeurt nog niet veel, maar wanneer er een bron wordt gebruikt komt dit veel krachtig over. Echter moet deze bron wel duidelijk worden geven. Het is wel eens voorgekomen dat iemand zei: ”Ik heb ergens gelezen dat…, maar ik weet niet meer waar.” Dit komt totaal niet sterk over.

Het is van groot belang dat je goed luistert naar wat de tegenstander te zeggen heeft. Niet alleen om te weten waarover deze het heeft of om een tegenargument te formuleren, maar bovenal om het levend debat te houden. Wanneer er niet wordt ingegaan op wat er gezegd wordt praten mensen langs elkaar heen en vindt er in principe ook geen debat meer plaats, maar twee losse monologen. Samenvatten kan hierbij een grote hulp zijn.

Tegen iemand in blijven gaan wanneer je weet dat hij gelijk heeft, is niet zinvol. Het is juist goed om toe te geven wanneer iemand een goed punt heeft. Wat daarbij krachtig werkt is de persoon erop attent te maken op welke facetten zijn punt hiaten vertoont. Dit ontkracht zijn argumentatie enigszins.

Het aandragen van nieuwe thema’s kan in je voordeel werken. Een debat wordt vaak niet binnen een thema, bijvoorbeeld privacy, gevoerd. De stelling binnen een nieuw thema plaatsen kan een voordeel verschaffen ten opzichte van de andere partij binnen het debat. Waar een stelling namelijk op binnen sommige thema’s goed uitpakt voor de ene partij is deze binnen een andere thema meer in het voordeel van de ander.

Voorzitter:

De voorzitter een neutrale partij. Deze neutrale positie dient hij of zij dan ook op elke moment te waarborgen. Het is niet goed wanneer een voorzitter partij kiest of een argument van een partij publiekelijk afkeurt. Deze partij is nodig om het debat in goede banen te leiden en ervoor te zorgen dat deze levend blijft. Deze neutrale partij treedt verder zoveel mogelijk op de achtergrond van een debat en heeft een ondersteunende functie.

De voorzitter stelt iedereen voor aan het begin en geeft tijdens het debat beurten. Het is van belang dat deze beurten niet systematisch worden gegeven, bijvoorbeeld het rondje afgaat, maar dat de mensen die op het zojuist gemaakte punt willen ingaan. De voorzitter kan daarbij ook het debat terugbrengen naar de stelling wanneer hier teveel van wordt afgeweken, wat een tactiek kan zijn van een partij.

Verder is het bevorderlijk wanneer de voorzitter kort samenvat wat partijen te zeggen hebben. Hierdoor blijft het duidelijk welke houding partijen innemen. Echter kan de voorzitter ook te veel en te lang samenvatten. Dit verstopt het debat en komt het daardoor dan ook niet ten goede.



Alegemen ground rules

Grondregels voor een goed debat:
Er moet een scherpe stelling of vraag geformuleerd worden, waar zowel sterke argumenten voor als tegen te bedenken zijn. Dit maakt het mogelijk om de verschillende kanten van een probleem uit te diepen (en de voors en tegens op een rij te zetten).

De stelling of vraag dient voorafgaande aan het debat geïntroduceerd te worden en tijdens het debat voor alle deelnemers zichtbaar te zijn. Dit moet er voor zorgen dat het debat over hetzelfde thema blijft gaan en de deelnemers niet te veel afdwalen.

De voorzitter dient neutraal te zijn, wat wil zeggen dat de voorzitter zelf niet deelneemt aan het debat.

De voorzitter dient de verschillende deelnemers in het debat de mogelijkheid te geven om hun bijdrage te leveren. Dit betekent dat de voorzitter goed bijhoudt wie wil spreken en langdradige en overbodige bijdragen afkapt.

De voorzitter moet ervoor zorgen dat de deelnemers aan het debat de oorspronkelijke vraag of stelling goed in de gaten houden. Dit betekent dat de voorzitter ingrijpt wanneer de discussie een totaal andere richting opgaat.

De voorzitter dient de voortgang van de discussie te bevorderen door in te grijpen wanneer de discussie vastloopt en de deelnemers aan het debat hun standpunt blijven herhalen. Dit kan de voorzitter doen door kort het meningsverschil uiteen te zetten en een voorstel te doen voor verdere discussie.

De voorzitter zorgt dat het debat levendig is, maar niet uit de hand loopt. Dit kan de voorzitter doen door provocerende vragen te stellen wanneer het debat vastloopt, of de deelnemers tot rust te manen wanneer de gemoederen te verhit raken. Een korte samenvatting van de naar voren gebrachte argumenten kan verhelderend werken.

De deelnemers aan het debat moeten de mogelijkheid krijgen om hun standpunt naar voren te brengen. Dit betekent dat ze voldoende tijd krijgen (bijvoorbeeld een van te voren vastgestelde tijd). Verder dienen deelnemers elkaar niet in de reden te vallen.

De deelnemers aan het debat dienen respect voor elkaar op te brengen. Zij beledigen elkaar dus niet en luisteren goed naar de argumenten van de ander. Dit kan worden bevorderd door iedere deelnemer te verplichten om eerst het argument van de ander samen te vatten voordat een tegenargument wordt gepresenteerd.

De deelnemers dienen een bron te vermelden wanneer zij een feitelijke uitspraak doen. Dit maakt het voor de andere deelnemers mogelijk om uitspraken te verifiëren. Bovendien voorkomt het dat er ongefundeerde uitspraken worden gedaan.

Grondregels voor goed presenteren:
Bereid je goed voor! Als je je argumenten op een rij hebt en de belangrijkste publicaties en feiten over een onderwerp kent, dan word je in een debat niet snel overbluft.

Vat de argumenten van je tegenstanders in het debat kort samen. Dit geeft aan dat je goed hebt geluisterd naar de ander. Bovendien geeft het je de mogelijkheid de aandacht te vestigen op specifieke punten uit het betoog van de ander. Dit kan dan vervolgens een mooie brug vormen voor je eigen argument.

Maak aantekeningen van de argumenten die de andere deelnemers naar voren brengen. Dit maakt het mogelijk om deze argumenten samen te vatten en hier systematisch op terug te komen.

Spreek rustig en duidelijk. Neem een actieve houding aan en gebruik je handen om je argument kracht bij te zetten (doe dit alleen op strategische momenten). Kijk rond en maak veel oogcontact. Dit geeft je boodschap extra kracht.

Als je vind dat de ander een goed punt heeft gemaakt, moet je dit aangeven. Doe dit wel aan het begin van je betoog om vervolgens aan te geven op welke punten je het niet met de ander eens bent.

Introduceer duidelijk je argument. Doe dit door in je betoog een helder onderscheid te maken tussen de uitleg van je argument en het argument zelf. Probeer je argument in één kernzin samen te vatten.

Let goed op de tijd! Dit wil zeggen dat je zo optimaal mogelijk gebruikmaakt van de tijd die je krijgt. Als je weinig tijd hebt, moet je die vooral besteden aan het stevig neerzetten van je argument. Als je echter veel tijd hebt, kun je die bijvoorbeeld gebruiken voor een introductie, het verschaffen van achtergrondinformatie en het samenvatten van de argumenten van de andere deelnemers. Hou wel de structuur van je betoog in de gaten, de andere deelnemers moeten kunnen begrijpen waar je met je verhaal naartoe wilt.

Geef het initiatief niet uit handen door meteen vragen te stellen aan je tegenstanders in het debat (retorische vragen kunnen natuurlijk wel strategisch worden ingezet).

Kom niet met losse argumenten, maar bepaal van te voren een argumentatielijn. Probeer het onderwerp dat door de stelling of vraag ter discussie wordt gesteld zo te presenteren dat deze lijn logisch en vanzelfsprekend lijkt.

Gebruik concrete voorbeelden om je argumenten te illustreren. Hou wel in de gaten dat een voorbeeld tegen je gebruikt kan worden. Zorg dan ook dat het gekozen voorbeeld slechts op één manier geïnterpreteerd kan worden.

Week 5

Thema: logboeken


In the Right Place at the Right Time
Technologische ontwikkelingen brengen voor- en nadelen met zich mee. Bloomfield gaat in zijn artikel “In the Right Place at the Right Time” in op de toepassing van elektronische “tagging.” Het meest voorname onderwerp van de tekst is orde. Dit heeft niet alleen te maken met het scheppen van maatschappelijke orde en veiligheid, maar ook het verder structureren van de samenleving.

Tagging bestaat in twee vormen. Een actieve en een passieve tag. Het verschil tussen beide is dat de actieve tag voortdurend een signaal afgeeft dat kan worden opgevangen en een passieve tag moet worden geactiveerd met een meetinstrument, bijvoorbeeld een detectiepoortje. Een actieve tag is verder veel duurder dan een passieve tag, die daarom minder snel ergen wordt toegepast.

Het taggen van voorwerpen gebeurd naar het idee van Bloomfield om orde in chaos te scheppen. We willen weten wanneer wat op welke tijdstip op welke plaats is, zonder dat daar menselijk toezicht voor nodig is. Denk hierbij aan het taggen van baby’s in het ziekenhuis tot ongekochte artikelen in de winkel. Het voordeel van taggen wordt op veel plaatsen ingezet, maar de schaduwzijde wordt vooral door Bloomfield besproken.

De technologische oplossingen die voor wanorde problemen worden ingezet zijn meestal beter dan de oplossing die daarvoor bestond. Dit “beter” berust niet altijd op kwaliteit, maar kan ook te maken hebben met een economisch aspect. Echter wordt de mens op deze manier erg afhankelijk van een technologische oplossing, die ook zo zijn hiaten bevat. De mens lijkt zijn verantwoordelijkheid van veiligheid af te schuiven op deze technologie.

Echter past het idee van alles willen ordenen binnen het beeld dat Adorno van het kapitalisme heeft. Hij ziet het als een systeem waarbij de mens alles wil structuren om het voorspelbaar te maken. Het uitschakelen van oncontroleerbare factoren is daarbij essentieel. Wanneer de mens alle entiteiten in de wereld gaat taggen, om telkens te kunnen zien waar wat zich op welk tijdstip bevindt zal dat een groter beeld van orde scheppen.

De keerzijde van dit geheel is dat elke manier om orde te scheppen het, mocht de beveiliging niet afdoende zijn, het criminaliteit mogelijk maakt. De camera die in een winkel hangt tegen winkeldiefstal heeft misschien een preventieve werken, maar als er niemand is die de banden achteraf bekijkt zal de camera geen diefstal opsporen. Bij deze manier van beveiligen ligt de agency nog steeds bij de mens en niet de machine.

Hoorcollege 10-10-2006
Met Big Brother als onderwerp van de week kwamen Klaas Kuitenbrouwer en Stefan Kosters daarover wat meer vertellen in het hoorcollege. De presentatie die beide heren tezamen gaven was gericht op het gebruik van de zogenaamde Radio Frequency Identification Device; RFID. Dit zijn chips die geproduceerd kunnen worden tot op een grootte van 0,15 mm en een signaal uit kunnen zenden. De chips kunnen worden gezien als een vorm van digitale streepjescodes. Echter bevat een RFID 64 bits en een barcode maar 8 bits. Er kan daarom veel meer informatie op worden geslagen. Dit maak het mogelijk om objecten individueel te taggen in plaats van een groep.

Er zijn twee vormen van RFID: actieve en passieve. Bij een actieve vorm zendt de chip voordurend een signaal uit. Dit wordt bijvoorbeeld gebruikt voor gevangenen met huisarrest. Echter bij een passieve chip wordt het signaal opgewerkt door een detectie apparaat. Deze vorm kom je tegen in bibliotheken en winkels als diefstalbeveiliging. Dit is ook de meest voorkomende vorm van RFID.

De opkomst van deze technologie kent zijn voor en tegenstanders. Mensen die RFID toejuichen zijn voornamelijk uit industriële, commerciële en technologische sectoren. Ze zien RFID als een revolutionair wondermiddel dat kan zorgen voor meer efficiëntie en zal zorgen voor kosten- en tijdsbesparing. Tegenstanders zijn voornamelijk consumentenbelangen-, burgerrechten- en privacyorganisaties. De groep is van mening dat tags moeten worden gedeactiveerd na de aankoop van een product, persoonsgegevens los moeten staan van de tags, mensen bewust moeten worden gemaakt van de aanwezigheid van deze chips en dat de chips inherent onveilig zijn. De vraag die echter een rol lijkt te spelen in dit debat is de vraag over agency. Deze in de richting van de producenten verschuiven, maar ook naar de consument. Het vrijgeven van bepaalde persoonlijke gegevens kan juist leiden tot een betere behandeling van de consumenten binnen massa, zonder als groep binnen een massa behandeld te worden; in een hokje te worden gestopt.


Werkcollege 12-10-2006
Zoals elke week moest er door een groepje in de twee helft van het college een debat worden georganiseerd. Deze week betrof dat het groepje waarin ik me bevond. Net als de week ervoor moesten we niet alleen zorg dragen voor de stellingen en organisatie van de tweede helft, er moest ook een stelling worden bedacht voor het debat van het eerste uur.

In het eerste uur hadden we gekozen voor de stelling: “Door de controle door technologische middelen wordt de verantwoordelijkheid afgeschoven op de technologie en dit gaat ten koste van het sociale aspect.” Het fenomeen betrof bijvoorbeeld magnetische detectiepoortjes in winkels. Wanneer iemand er doorheen loopt en de poort gaat “af”, lopen mensen dan door omdat ze denken dat iemand anders er wel op zou reageren? Omdat er een camera hangt hoeft de gewone consument dan niet meer op te letten? We hadden gehoopt dat het debat deze insteek zou hebben, maar het liep echter anders. Tijdens de discussie werd er niet ingegaan op de verhouding tussen sociale controle en technische controle, maar meer over het thema veiligheid op zich.

De stelling werd ditmaal ook weer ingeleid door de voorzitter. Hierbij werden er echter voor en tegenargumenten geven. Dat dit niet de bedoeling is, hadden we al in eerdere werkcolleges gezien en ook in de ground rules; de voorzitter dient onpartijdig te zijn en niet deel te nemen in het debat. Tijdens het debat zelf ontstond er duidelijk contrast tussen twee partijen. De partij die tegen was praatte veelal langs elkaar heen en gingen niet door op punten die eerder in het debat door hun groep werden aangedragen. De andere partij deed dit echter wel, waardoor ze een sterker front vormden samen. Het was op deze manier ook duidelijker waar de voorpartij nu voor stond, ten opzichte van het standpunt van de tegenpartij. Hier bleek hoe goed het is om een duidelijke lijn aan te houden als groepjes. Tijdens dit debat lette ikzelf op brongebruik. Er was één iemand die naar voren kwam met een bron, waaruit bleek dat hij zich had voorbereid, maar wist de inhoud van deze bron niet over te brengen. Hierdoor verloor zijn groep niet alleen tijd, maar ook een mogelijkheid om een goed tegenargument in te brengen.

Voor het tweede uur hadden we twee stellingen voorbereid, en wel de volgende:

- De overheid moet ouders de mogelijkheid bieden het internetgebruik van hun kinderen te controleren.
- Tbs'ers moeten een actieve tag krijgen.

Om het voorbereiden op het tweede uur wat makkelijker te maken, hadden we ervoor gekozen de groep in tweeën op te delen. Daarbij hebben keuzes gemaakt gebaseerd op eerder werkcolleges, en op welke manier studenten zich daarbinnen presenteerden, om zo een zo evenwichtig mogelijk verdeling te hebben. De indeling was als volgt:

Groep 1
Coen Estelle Freek Hessel Inge Jessie Michiel Stefan

Groep 2
Arijjen Arthur Lieke Nadine Rik Rozemarijn Rutger Tim

Er was op Webct vermeld dat groep 1 voor de stelling zou zijn en groep 2 uiteraard tegen. Daarnaast werd er expliciet de opdracht gegeven je goed voor te bereiden op de argumentatie van de tegenpartij. We hadden dit gedaan om binnen het werkcollege te experimenteren met het innemen van een standpunt. Het standpunt van de groepen werd dan ook op het laatste moment omgedraaid. Groep 1 moest dus tegen de stellingen debatteren en groep 2 voor. Nadat ik deze informatie als voorzitter van het tweede uur aan de studenten bekend maakte, werd er zeer verontwaardigd gereageerd.

Toen de rust was teruggekeerd en iedereen zich bij de situatie had neergelegd kon het debat beginnen. Ik had er als voorzitter voor gekozen om beide groepen één minuut te geven om hun standpunt duidelijk te maken, daarna zou het debat een achttal minuten mogen losbarsten. De discussie die volgde was naar mijn idee een goede en duidelijke. Hoewel de groepen zich anders hadden voorbereid zag je naarmate het debat voortduurde, ze met steeds sterkere argumenten komen. Hier waren we als organiserende groep tevreden over.

In het tweede gedeelte van het door ons georganiseerde debat, wilde we de personen die dominant waren geweest bij d eerste stellingen, eruit filteren. We hoopten hiermee dat de mensen die daarvoor minder aan het woord waren geweest zichzelf ook zouden profileren. Uiteindelijk werden er van elke groep drie mensen aan de kant gezet. Daar zaten ze niet alleen om het aankomende debat te aanschouwen, maar om aantekeningen te maken waar het goed of fout ging bij hun eigen groep. Op het moment dat je namelijk iemand anders kunt uitleggen waarom hij iets goed of iets slecht doet, heb je een goed inzicht verschaft in de stof, in dit geval het debatteren. Sommige mensen kwamen wel meer aan het woord dan normaal, maar niet geheel zoals we gehoopt hadden. De mensen die aan de kant waren gezet hadden echter ook niet helemaal het doel van hun rol begrepen. Er was maar een persoon die iets constructiefs te melden had over wat zijn groepje nu goed of slecht had gedaan.

Zelf had ik deze week in het tweede uur de rol van voorzitter. Omdat ik normaal in een werkcollege mezelf redelijk veel op de voorgrond zette, vond ik het interessant om te kijken in hoeverre ik me uit het debat als voorzitter kon onttrekken. Van te voren gaf ik aan dat mensen naar voren konden stappen, wanneer zij iets te zeggen hadden en daarop zou ik dan een beurt geven. Met het geven van deze beurten probeerde ik zoveel mogelijk alle leden van een groep aan het woord te laten. Op het moment dat een groep wel erg begon te overheersen heb ik ervoor gekozen om soms twee mensen van een groep kort achter elkaar wat te laten zeggen. Dit deed ik ook wanneer er niemand van de tegenpartij naar voren was gestapt. Ik heb naast het geven van een korte inleiding, het geven van een beurt en het soms heel kort samenvatten niet veel meer gedaan als voorzitter. Zelf was ik hier tevreden over, omdat ik normaal moeite heb met niet op de voorgrond treden.

Ground Rules
Deze week is gebleken dat, wanneer een groep samen een richting kiest in een debat, ze veel sterker over komen dan een partij die dit niet doet. Op deze manier ondersteunen de leden van een debatgroep elkaar en is de kans dat op een bepaald niveau gebleven kleiner wordt. Verder waren er geen nieuwe of verbeterpunten die ik in mijn ground rules wil toevoegen of veranderen.

Presentatie:

De houding of het fysiek binnen een presentatie, maar ook binnen het debat, zijn van essentieel belang. De uitstraling die je hiermee creëert kan bepalend zijn voor de opvatting die de tegenstander over je construeert. Zoals gebleken is in het werkcollege is het hebben van de handen in de zakken of een hand voor de mond terwijl er gesproken wordt een negatieve uitwerking heeft. Binnen dit gedeelte valt ook het hebben van een open houding, waarmee de aandacht van de tegenstander en het publiek kan worden getrokken. Verder is het van belang de persoon aan te kijken tegen wie het verhaal vertelt wordt. Op deze manier heeft de persoon in kwestie een groter gevoel van betrokkenheid. Dit is ook van belang om de aandacht van het publiek erbij te houden en geeft de spreker een zelfverzekerdere houding die nodig is om een anders van een standpunt te kunnen overtuigen.

Het is bij de presentatie van de positie ten opzichte van de stelling van belang dat deze duidelijk is. Omdat er bij de stelling twee extremen mogelijk zijn is het van belang een van deze extremen op het begin zoveel mogelijk in te nemen. Dit geeft de tegenstander minder ruimte. Duidelijk spreken, zonder het veelvuldig gebruik van het woordje ‘euh’ is een pré.

De argumentatie in de presentatie dient kort en bondig te zijn, waarbij de tijd in ogenschouw moet worden gehouden. Het komt wel een voor dat iemand zijn punt nog niet heeft gemaakt waardoor deze mogelijkheid ook vervalt. Echter kan het ook voorkomen dat er nog veel tijd over is die benut had kunnen worden om de tegenstander te overtuigen voor een standpunt op het gebied van meerdere thema’s.

Wanneer als tweede gepresenteerd dient te worden werkt samenvatten van wat de ander gezegd heeft verhelderend. Op deze manier kan de ander worden samengevat op een manier waardoor dit in het eigen voordeel kan werken.

Het is van belang dat, wanneer er in een groep wordt gedebatteerd, de groepsleden samen van te voren hebben afgesproken welke lijn ze binnen een debat kiezen. Op deze manier kunnen ze elkaar niet alleen ondersteunen, maar ook een punt steeds verder uitdiepen. De kans dat op deze manier het debat naar deze éénlijnige partij kantelt wordt dan groter, omdat het debat op deze manier makkelijker te sturen is.

Debatteren:
Om een duidelijk debat te voeren moeten beide partijen een duidelijke positie innemen ten opzichte van de stelling. Deze stelling zorgt daar zelf al voor, maar grijze gebieden moeten duidelijk gedefinieerd worden naar de positie van elke partij.

Een goede voorbereiding zorgt ervoor dat een partij in het debat kennis van zaken heeft. De kennis kan goed gebruikt worden, vooral wanneer deze bronnen bevat. Het gebeurd nog niet veel, maar wanneer er een bron wordt gebruikt komt dit veel krachtig over. Echter moet deze bron wel duidelijk worden geven. Het is wel eens voorgekomen dat iemand zei: ”Ik heb ergens gelezen dat…, maar ik weet niet meer waar.” Dit komt totaal niet sterk over.

Het is van groot belang dat je goed luistert naar wat de tegenstander te zeggen heeft. Niet alleen om te weten waarover deze het heeft of om een tegenargument te formuleren., maar bovenal om het levend debat te houden. Wanneer er niet wordt ingegaan op wat er gezegd wordt praten mensen langs elkaar heen en vindt er in principe ook geen debat meer plaats, maar twee losse monologen. Samenvatten kan hierbij een grote hulp zijn.

Tegen iemand in blijven gaan wanneer je weet dat hij gelijk heeft is niet zinvol. Het is juist goed om toe tegen wanneer iemand een goed punt heeft. Wat daarbij krachtig werkt is de persoon erop attent te maken op welke facetten zijn punt hiaten vertoont. Dit ontkracht zijn argumentatie enigszins.

Het aandragen van nieuwe thema’s kan in je voordeel werken. Een debat wordt vaak niet binnen een thema, bijvoorbeeld privacy, gevoerd. De stelling binnen een nieuw thema plaatsen kan een voordeel verschaffen ten opzichte van de andere partij binnen het debat. Waar een stelling namelijk op binnen sommige thema’s goed uitpakt voor de ene partij is deze binnen een andere thema meer in het voordeel van de ander.

Voorzitter:

De voorzitter een neutrale partij. Deze neutrale positie dient hij of zij dan ook op elke moment te waarborgen. Het is niet goed wanneer een voorzitter partij kiest of een argument van een partij publiekelijk afkeurt. Deze partij is nodig om het debat in goede banen te leiden en ervoor te zorgen dat deze levend blijft. Deze neutrale partij treedt verder zoveel mogelijk op de achtergrond van een debat en heeft een ondersteunende functie.

De voorzitter stelt iedereen voor aan het begin en geeft tijdens het debat beurten. Het is van belang dat deze beurten niet systematisch worden gegeven, bijvoorbeeld het rondje afgaat, maar dat de mensen die op het zojuist gemaakte punt willen ingaan. De voorzitter kan daarbij ook het debat terugbrengen naar de stelling wanneer hier teveel van wordt afgeweken, wat een tactiek kan zijn van een partij.

Verder is het bevorderlijk wanneer de voorzitter kort samenvat wat partijen te zeggen hebben. Hierdoor blijft het duidelijk welke houding partijen innemen. Echter kan de voorzitter ook te veel en te lang samenvatten. Dit verstopt het debat en komt het daardoor dan ook niet ten goede.

dinsdag, oktober 03, 2006

Week 4

Thema: Hoe beoordeel je een debat?


Gaming the System. What Higher Education Can Learn from Multiplayer Online Worlds
Educatie en games. Met de opkomst van het medium computergames rijst de vraag welke mogelijkheden dit medium met zich meebrengt voor het onderwijs. In “Gaming the System: What Higher Education Can Learn from Multiplayer Online Worlds” kijkt J.C. Herz naar de mogelijkheden die heden ten dage populaire MMORPG’s bieden. Het gaat hier voornamelijk om virtuele gemeenschappen.

Met de komst van Massive Multiplayer Online RolePlaying Games (MMORPG’s) ontstaan er online gemeenschappen waarbij mensen een collectieve intelligentie opbouwen binnen een virtuele werkelijkheid. Deze virtuele omgevingen bestonden echter al langere tijd op internet met betrekking tot games. Met het vrijgeven van broncodes van games kregen consumenten de mogelijkheid om eigen content toe te voegen en een product aan te passen en wellicht te verbeteren. Herz geeft hiervoor het voorbeeld van de ReaperBot, de beste computergestuurde speler in het spel Quake II, die werd geprogrammeerd door een gebruiker.

Een ander voorbeeld is Unreal Tournament, maar voornamelijk zijn opvolger Unreal Tournament 2004. Sponsoren en het bedrijf dat het spel maakt loont elk jaar een miljoen aan prijzengeld uit voor user-created content. Binnen de virtuele omgevingen zijn er een aantal mensen die andere mensen onderwijzen in de mogelijkheden en die dan ook daadwerkelijk deze content maken. Er is echter een veel grotere groep die niet de content maakt, maar deze gebruikt. Er ontstaat een systeem waarbij het product door consumenten wordt verbeterd.

De collectieve intelligentie die op deze manier ontstaat, moet volgens Herz niet door het onderwijs onderschat worden. De mogelijkheid om een dergelijke omgeving te creëren voor het ondersteunen van het onderwijs en de eigenschap van de RPG’s, het “levelen”, dient echter in ogenschouw te worden genomen. De huidige ontwikkeling in het onderwijs, waarbij competentieleren wordt ingevoerd, lijkt zich hier goed voor te lenen. Door aandacht te besteden aan verschillende competenties (skills) kan de student deze verbeteren en in “level” stijgen. Het “levelen” in RPG’s wordt echter gebruikt in de vorm van een beloning. De vraag is of dit ook zo zou werken binnen het onderwijs.

Gonzales Frasca haalt in zijn column op http://watercoolergames.com aan dat er binnen het onderzoeksgebied van games iets vreemds gebeurt. Er wordt volgens Frasca teveel gekeken naar de AAA-titels. In vergelijking met film zou dit betekenen dat alleen de Hollywood-film aandacht verdient. Games binnen het onderwijs zijn wellicht mogelijk, maar met moet niet gebruik willen maken van de commerciële titels. Er zal een geheel eigen dramaturgie nodig zijn, mocht dit medium worden toegepast. Echter laat Herz met haar artikel duidelijk zien dat de facetten die het medium games met zich meedraagt, een educatieve eigenschap in zich hebben. En wanneer we een game definiëren als een door regels en wetten gecreëerde wereld, dan is het hele leven een spel waarbinnen we een rol aannemen.

Hoorcollege 03-10-2006
De gastspreker van deze week is Robert-Jan Simons. Hij behoort tot het instituut expertisecentrum ICT in het onderwijs aan de universiteit van Utrecht. Hij kwam vertellen over de integratie van ICT binnen het hoger onderwijs. Er werd ingegaan op de huidige situatie en zoals het er wellicht in de toekomst uit gaat zien. De titel van zijn presentatie was dan ook niet voor niets: “Niet willen wat er kan maar (op tijd) kunnen wat we willen.” Tijdens zijn lezing konden er tussendoor vragen gesteld worden om eventueel een onderwerp te verdiepen. Simons vroeg zelf ook zo nu en dan om een respons uit de zaal.

Binnen het huidige hogere onderwijs wordt er gebruik gemaakt van ICT, maar Simons ziet dit in de toekomst veranderen. De generatie kinderen die over een vijf- tot zestal jaren aan zal treden als student zijn wellicht beter getraind in het omgaan met ICT dan de huidige en vorige generaties. Het vraagstuk is dan ook hoe deze expertise onder de jeugd op het gebied van ICT eventueel uit te buiten. Echter bestaat er binnen het onderwijs altijd een vorm van generatiekloof tussen student en docent. De studenten zijn misschien toe aan een nieuwe manier van leren, maar de docenten moeten daar ook toe bereid zijn, ofwel voor openstaan. En hier zit het probleem een beetje met het introduceren van mogelijke nieuwe ICT middelen binnen het onderwijs; ze moeten wel geaccepteerd worden binnen de academische wereld.

Verder ging het nog over de nieuwe vorm van leren op basis van competenties. De scheefgegroeide relatie tussen de hoeveelheid werk tussen docent en student wordt hierdoor veranderd. Studenten bepalen zelf wanneer ze wat leren en hoe ze dat doen. Er is geen vaste weg meer van het startpunt tot het einde. Er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden. De docent wordt binnen dit systeem meer een begeleider en schatbewaker, om de student te ondersteunen tijden zijn proces. Ook helpen de studenten elkaar door middel van feedback om een beter eindproduct neer te zetten. Deze methode wordt voornamelijk toegepast binnen het HBO.

Het was een heldere en duidelijke lezing over hoe het op dit moment binnen het hoger onderwijs staat met ICT. Er werd geen echt standpunt ingenomen door Simons, maar meer een weg getoond die ingeslagen is en waarbij nog niet duidelijk is welke afslagen er genomen moeten worden. Het lijkt erop dat de ICT meer bij het onderwijs betrokken zal worden in de toekomst, maar hoe we bij dat doel zullen komen en welk doel dit precies is zal de toekomst nog moeten uitwijzen.


Werkcollege 05-10-2006

In het werkcollege van week 3 had iedereen een rol toebedeeld gekregen, welke hij of zij in het werkcollege van week 4 ter uitvoering zou moeten brengen. Ik had ervoor gekozen, wat op het begin nog kon, om mee te debatteren in plaats van het debat te analyseren op een bepaalde manier. Ik ben van mening dat ik beter in het debat zelf kan deelnemen, omdat ik vaak de drang heb om iets zeggen. Echter zou langs de zijlijn staan misschien wel eens een goede oefening zijn, maar deze week nog niet.

Het debat van het eerste uur werd gevoerd over de stelling: “Leervormen in regulier onderwijs moeten losstaan van de ervaring van leerlingen.” De groep die deze stelling had bedacht had dit voor het eerst gedaan naar aanleiding van een bron: “Generatie Einstein weet het beter”, van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zo had iedereen die deelnam aan het debat al wat extra informatie en wist iedereen waar we het over gingen hebben. Dit kwam ook wel duidelijk naar voren in het debat, omdat dit redelijk duidelijk werd gevoerd. Echter haalde niemand echt het artikel aan om zijn punt te maken. Zelf had ik ter voorbereiding het artikel gelezen en een paar standpunten opgeschreven. Mijn belangrijkste standpunt was dat in het onderwijs nieuwe ervaringen moeten worden opgedaan en dat niet al bestaande kennis en opgedane ervaringen worden herhaald. Op deze manier zou niemand vooruitgang kunnen boeken of nieuwe inzichten verkrijgen. Uiteindelijk heb ik veel bijgedragen aan het debat, maar was dit niet altijd constructief genoeg. Ik zal in de toekomst met betere voorbeelden moeten komen of bronnen gebruiken.

In het tweede uur zouden twee stellingen aan bod komen. Deze waren door de groep van de week op Webct geplaatst. Naar aanleiding van de afgelopen weken, waar veelal werd gediscussieerd over de kwaliteit van de stelling, besloot ik deze stellingen van te voren te beoordelen. De groep had bij de tweede stelling gekozen voor: “Wetenschappelijk onderwijs moet het gebruik van ICT weren.” Dit was in mijn ogen niet genuanceerd genoeg, want ICT weren neemt een veel te extreem punt in binnen het debat. Ik stelde dan ook de volgende stelling voor: “Het gebruik van ICT (digitaal) binnen het wetenschappelijk onderwijs moet niet de overhand krijgen ten opzichte van de analoge mogelijkheden.” Het debat dat over deze stelling volgde ging echter ook niet de goede kant op. Er werd een verband gezien tussen de hoeveelheid methoden en de overhand hebben. Wanneer er bijvoorbeeld meer digitale methoden werden gebruikt (Webct, mail, tekstverwerking) dan zou dit de overhand hebben over (boeken lezen, hoorcolleges). Dit probeerde ik nog recht te zetten binnen het debat, maar dit werd helaas niet overgenomen, waardoor het debat wel heel eenzijdig bleef in het voordeel van de dominantie van de digitale methoden.


Ground Rules

Naar aanleiding van het commentaar van vorige week heb ik besloten terug te gaan naar een beschrijvend model voor de ground rules in plaats van een opsomming. In het algemeen worden in de beschrijving van het werkcollege al voorzetjes gegeven voor deze ground rules. Verder heb ik de tweedeling tussen presentatie en debat behouden, maar heb ik het onderdeel voorzitter vanuit het debat gedeelte onttrokken en hiervan een apart gedeelte van gemaakt. Echter moet wel gezegd worden dat de ground rules van het presenteren ook gelden voor het debatteren.

Presentatie:

De houding of het fysiek binnen een presentatie, maar ook binnen het debat, zijn van essentieel belang. De uitstraling die je hiermee creëert kan bepalend zijn voor de opvatting die de tegenstander over je construeert. Zoals gebleken is in het werkcollege zorgt het hebben van handen in de zakken of een hand voor de mond terwijl er gesproken wordt, voor een negatieve uitwerking. Binnen dit gedeelte valt ook het hebben van een open houding, waarmee de aandacht van de tegenstander en het publiek kan worden getrokken. Verder is het van belang de persoon aan te kijken tegen wie het verhaal verteld wordt. Op deze manier heeft de persoon in kwestie een groter gevoel van betrokkenheid. Dit is ook van belang om de aandacht van het publiek erbij te houden en geeft de spreker een zelfverzekerdere houding die nodig is om een ander van een standpunt te kunnen overtuigen.

Het is bij de presentatie van de positie ten opzichte van de stelling van belang dat deze duidelijk is. Omdat er bij de stelling twee extremen mogelijk zijn is het van belang een van deze extremen op het begin zoveel mogelijk in te nemen. Dit geeft de tegenstander minder ruimte. Duidelijk spreken, zonder het veelvuldig gebruik van het woordje ‘euh’ is, een pré.

De argumentatie in de presentatie dient kort en bondig te zijn, waarbij de tijd in ogenschouw moet worden gehouden. Het komt wel eens voor dat iemand zijn punt nog niet heeft gemaakt, waardoor deze mogelijkheid ook vervalt. Echter kan het ook voorkomen dat er nog veel tijd over is die benut had kunnen worden om de tegenstander te overtuigen voor een standpunt op het gebied van meerdere thema’s.

Wanneer als tweede gepresenteerd dient te worden, werkt samenvatten van wat de ander gezegd heeft, verhelderend. Op deze manier kan de ander worden samengevat op een manier waardoor dit in het eigen voordeel kan werken.

Debatteren:
Om een duidelijk debat te voeren, moeten beide partijen een duidelijke positie innemen ten opzichte van de stelling. Deze stelling zorgt daar zelf al voor, maar grijze gebieden moeten duidelijk gedefinieerd worden naar de positie van elke partij.

Een goede voorbereiding zorgt ervoor dat een partij in het debat kennis van zaken heeft. De kennis kan goed gebruikt worden, vooral wanneer deze bronnen bevat. Het gebeurt nog niet veel, maar wanneer er een bron wordt gebruikt, komt dit veel krachtig over. Echter moet deze bron wel duidelijk worden geven. Het is wel eens voorgekomen dat iemand zei: ”Ik heb ergens gelezen dat…, maar ik weet niet meer waar.” Dit komt totaal niet sterk over.

Het is van groot belang dat je goed luistert naar wat de tegenstander te zeggen heeft. Niet alleen om te weten waarover deze het heeft of om een tegenargument te formuleren, maar bovenal om het een levend debat te houden. Wanneer er niet wordt ingegaan op wat er gezegd wordt, praten mensen langs elkaar heen en vindt er in principe ook geen debat meer plaats, maar twee losse monologen. Samenvatten kan hierbij een grote hulp zijn.

Tegen iemand in blijven gaan wanneer je weet dat hij gelijk heeft, is niet zinvol. Het is juist goed om toe te geven wanneer iemand een goed punt heeft. Wat daarbij krachtig werkt, is de persoon erop attent te maken op welke facetten zijn punt hiaten vertonen. Dit ontkracht zijn argumentatie enigszins.

Het aandragen van nieuwe thema’s kan in je voordeel werken. Een debat wordt vaak niet binnen een thema, bijvoorbeeld privacy, gevoerd. De stelling binnen een nieuw thema plaatsen kan een voordeel verschaffen ten opzichte van de andere partij binnen het debat. Waar een stelling namelijk binnen sommige thema’s goed uitpakt voor de ene partij, is deze binnen een ander thema meer in het voordeel van de ander.

Voorzitter:

De voorzitter is een neutrale partij. Deze neutrale positie dient hij of zij dan ook op elk moment te waarborgen. Het is niet goed wanneer een voorzitter partij kiest of een argument van een partij publiekelijk afkeurt. Deze partij is nodig om het debat in goede banen te leiden en ervoor te zorgen dat deze levend blijft. Deze neutrale partij treedt verder zoveel mogelijk op de achtergrond van een debat en heeft een ondersteunende functie.

De voorzitter stelt iedereen voor aan het begin en geeft tijdens het debat beurten. Het is van belang dat deze beurten niet systematisch worden gegeven, bijvoorbeeld het rondje afgaat, maar dat de mensen die op het zojuist gemaakte punt willen ingaan, aan de beurt komen. De voorzitter kan daarbij ook het debat terug brengen naar de stelling, waarneer hier teveel van wordt afgeweken, wat een tactiek kan zijn van een partij.

Verder is het bevorderlijk wanneer de voorzitter kort samenvat wat partijen te zeggen hebben. Hierdoor blijft het duidelijk welke houding partijen innemen. Echter kan de voorzitter ook te veel en te lang samenvatten. Dit verstopt het debat en komt dan ook niet ten goede van het debat.

dinsdag, september 26, 2006

Week 3

Thema: Hoe leid je een debat?


Confessions of an Intellectual (Property): Danger Mouse, Mickey Mouse, Sonny Bono, and My Long and Winding Path as a Copyright Activist-Academic
In het artikel van Kembrew McLeod “Confessiosn of an IIellectual (Poperty): Danger Mouse, Mickey Mouse, Sonny Bono, and My long and Winding Path as a Copyright Activist-Academic” wordt het verschil in het toepassen van de auteurswet in theorie en praktijk uiteengezet. In het jaar 2004 bracht de hip-hop artiest Danger Mouse zijn Grey Album uit. Dit album bestond volledig uit samples, waardoor er commotie ontstond onder de platenbazen en de oorspronkelijke artiesten.

Op het Grey Album werden de albums van Jay-Z (Black Album) en The Beatles (White Album) met elkaar versmolten. Het probleem is echter dat sampling niet wordt toegestaan, ook al wordt hiervoor betaald. Daarentegen wordt het zelf opnemen van een bestaand nummer na het betalen van een licentie wel getolereerd. Waar ligt dan het probleem in deze zaak? De auteur van het artikel koos ervoor de proef op te som te nemen en te kijken in hoeverre de wet in de praktijk zou worden doorgevoerd.

Wanneer McLeod in de geschiedenis kijkt stuit hij op een opmerkelijk feit. The Beatles hebben voor het creëren van hun eigen werk ook samples gebruikt en daarvoor waarschijnlijk niets betaald. Maar nu ditzelfde gebeurd met hun eigen werk, probeert de groep en hun platenmaatschappij dit met alle macht en invloed die ze hebben, te voorkomen. In het hoorcollege kwam ook al ter sprake dat Disney als bedrijf ook samples gebruikt van sprookjes en deze herdefinieert. Maar het bedrijf verlengt ieder jaar wederom de auteurswet om te voorkomen dat hun eigen producten worden gebruikt als samples. Leven we dan niet een hypocriete cultuur?

Theodor Adorno was van mening dat populaire muziek simplistisch was en dat het bestond uit gemakkelijk door elkaar te vervangen componenten. Dergelijke muziek zou volgens hem dus ideaal te gebruiken moeten zijn om te samplen. En waarom niet? De auteurswet schrijft echter voor dat er een nieuw en oorspronkelijk product moet ontstaan. Maar de wet kan dit zelf niet op een of andere manier zelf controleren. In praktijk heb je daar mensen voor nodig die de wet interpreteren. Wanneer mediaconglomeraten door het gebruik van hun macht en geld druk uit kunnen oefenen op kleine partijen om ze op deze manier uit de markt te drukken, kan er in mijn ogen gesproken worden van een verstoorde concurrentiemarkt.

Sampling, zoals duidelijk wordt in het artikel van McLeod, bestaat al geruime tijd. Echter probeert men zich nu krampachtig vast te houden aan een auteurswet die met de komst van een digitale cultuur onder druk komt te staan. De handhaving lijkt met de nieuwe distributiemethoden een steeds groter probleem te worden. Wanneer iedere schakel in het netwerk de mogelijkheid van distributie geboden krijgt, is het nodig om opnieuw na te denken over het fenomeen copyright. Het paradigma van het copyright staat onder druk, wellicht kan dat in de toekomst veranderen en ontstaat er een nieuw paradigma met betrekking tot intellectuele eigendommen.

Hoorcollege 26-09-2006
Voor het hoorcollege van week drie was Tim Kuik van Stichting Brein uitgenodigd. Hij kwam een verhaal vertellen over het beschermen van intellectuele eigendommen, maar wat de aanwezigen het meest zal zijn bijgebleven is de discussie achteraf.

Om te beginnen had Kuik de verkeerde presentatie bij zich genaamd: "The art of protecting the creative." Stichting Brein houdt zich bezig met de bescherming van alle intellectuele eigendommen behalve die van de businesssoftware. Ze houden zich niet bezig met oplossingen voor het beschermen van intellectuele eigendommen, maar de handhaving van de regels en wetten omtrent deze eigendommen. Het auteursrecht houdt in dat mensen het intellectueel eigendom van anderen niet openbaar mogen maken of verspreiden. Een kopie voor eigen gebruik is echter wel toegestaan.

Het debat begon over het beschermen van het creatieve. Kuik legt uit dat mensen in de fout gaan wanneer zij anderen een "economisch waardeerbaar eigendom" ontnemen. Ze zullen wanneer ze gebruik maken van andermans zaken met een "nieuw oorspronkelijk product" moeten komen. Na nog een aantal vragen uit de collegezaal komen we telkens terug bij dat "nieuw oorspronkelijk product". Dit wilde Kuik zelf niet definiëren of specificeren, waardoor de discussie nutteloos werd en daardoor spaak liep. En zo zou het debat zich voorzetten; vragen waarop studenten wel antwoorden krijgen, hebben een vrij te interpreteren uitleg. Voor die duidelijke uitleg beroept Kuik zich dikwijls op de rechter; die de beslissingen daarover moet nemen. Uit de discussie kunnen daarom weinig conclusies worden getrokken behalve dan dat Kuik kan "lullen als Brugman" en luisteren naar een vraag, en daar een direct antwoord op geven, niet binnen zijn debat keuzes en/of kwaliteiten behoort.

Werkcollege 28-09-2006
Het werkcollege van 28 september was net als alle andere werkgroepen in twee delen verdeeld. In het eerste deel werd er weer geoefend met debatteren in een andere opstelling ten opzichte van vorige week en in het tweede gedeelte was het de beurt aan de mensen die in die week een debat moest organiseren.

Aan het begin van het werkcollege werden de punten die de week ervoor onder de aandacht waren gekomen, samengevat. Deze had ik al in mijn “ground rules” verwerkt en wil deze daarom niet verder noemen deze week. De oefening van het werkcollege betrof een debat tussen twee personen. De een deponeerde een stelling waarop de ander reageerde, net zoals dit vorig werkcollege gebeurde. Echter werden er ditmaal twee extra personen aangewezen: een voorzitter en een procesbewaker. De eerste moest het debat leiden, terwijl de laatstgenoemde juist op het gebruik van de “ground rules” lette.

Ik nam in het debat de rol aan om de stelling aan te vallen. De stelling luidde: De Grey Album van Danger Mouse is volgens de Nederlandse auteurswet rechtmatig. In het commentaar op mijn keuzes tijdens het verwerpen van deze stelling, viel op dat ik mijn tegenstander in het begin teveel ruimte liet. Ik begon het debat niet met het uiterste standpunt, maar koos al een beetje een middenweg. Hierdoor kreeg de ander genoeg ruimte om mij weer aan te vallen. Er ontstond echt wel een goede en open discussie door deze houding, maar dat had later ook gekund. Verder viel er nog op dat je handen voor je mond houden tijdens een debat niet goed werkt, je handen uit je zakken moet laten en niet teveel naar het papier moet staren. Echter is het aansnijden van nieuwe thema’s en de stelling in een breder debat plaatsen wel bevorderlijk.

Ground Rules
Ik zal nieuwe punten naar aanleiding van werkcolleges en eventuele hoorcolleges markeren met vet.

Presentatie:
+ een open houding
+ duidelijke stelling
+ duidelijk spreken
+ kort maar krachtig zijn; bondig
+ zelfverzekerde houding
+ samenvatten van je voorganger
+ de tijd die je hebt in de gaten houden
- vage argumentatie
- veel gebruiken van ‘euh’
- neerslaan ogen

Debatteren:
+ goede houding
+ twee partijen met een ander standpunt ten opzichte van de stelling
+ kennis van zaken
+ luisteren naar elkaar
+ de aanwezigheid van een neutrale partij die de discussie leidt
- niet ingaan op wat de andere gezegd heeft
+ je tegenpartij gelijk geven wanneer dit zo is
+ als voorzitter iedereen voorstellen
+ duidelijk rol innemen als voorzitter
+ de voorzitter brengt de discussie terug naar de kern van het debat
- niet emotie de overhand te laten nemen
- als voorzitter te veel samenvatten
- te actief zijn als voorzitter, zowel lichamelijk; niet rondlopen
- de groep afgaan, waardoor mensen niet actief kunnen deelnemen in het op dat moment actuele debat
- een opmerking als "er is een onderzoek gedaan..." komt niet goed over als je geen bron vermeld.

Na deze toevoeging neig ik ernaar op de rollen binnen het debat apart te gaan zetten volgende week.

maandag, september 25, 2006

Week 2

Thema: hoe hou/breng je een debat op gang?


Reconsidering Political and Popular Understandings of the Digital Divide
Met het naderende, of reeds gearriveerde, informatietijdperk, zijn overheden ervan overtuigd dat door het inzetten van ICT bepaalde groepen binnen de samenleving uit hun sociale isolement gehaald kunnen worden. Nochtans is dit ideaal in de praktijk niet bereikt en is er een nieuw probleem ontstaan zoals Selwyn in zijn artikel “Reconsidering political and popular understandings of the digital divide” aangeeft: “However such ‘techno-enthusiasm’ has been tempered of late by concerns over the potentially divisive aspects of the information age. In particular, issues of inequalities of access to both technology and information have begun to prompt concern about emerging ‘digital divides’ between social groups.” Het begrip ‘digital divide’ wordt in het artikel van Selwyn op theoretisch vlak ter discussie gesteld.

De ‘digital divide’ kan de sociale verhouding van opname binnen de samenleving volgens regeringen gaan verminderen of verergeren. Dit maakt dat het begrip hand in hand gaat met de komst van de informatiemaatschappij.

De huidige opvatting over de ‘digital divide’ is echter niet concreet genoeg. Het begrip wordt als tweezijdig veronderstelt, wel of geen toegang, maar binnen deze toegang vindt er differentiatie plaats. Daarom moet er opnieuw nagedacht worden over de ‘digital divide’ door middel van de volgende vragen:

- wat wordt er bedoeld met ICT;
- wat wordt er bedoeld met ‘access’;
- wat is de relatie tussen toegang hebben tot ICT en het gebruik ervan;
- wat zijn de gevolgen van de verbintenis met ICT.

ICT wordt door Selwyn gezien als een overkoepelende term voor hardware, software, distributiesystemen, etc. Maar het best kan er gekeken worden naar de inhoud van deze ICT om hierover iets te kunnen zeggen met betrekking tot de ‘digital divide’. Verder bestaan er binnen het begrip ‘access’ verschillende typen. Of men heeft wel of geen toegang tot de ICT, binnen deze toegang bestaat er een verdeling van verschillende gradaties.
Als er wordt gekeken naar de relatie tussen het gebruik en de toegang van en tot ICT is het van belang op te merken dat toegang niet gelijk staat aan het gebruik ervan. Het is dan ook beter om te kijken naar de relatie die mensen hebben met betrekking tot de ICT en hoe ze deze een plaats geven in hun dagelijkse leven. Daarbij moet er op grond van de verbintenis met ICT gekeken worden naar welke mogelijkheden deze biedt om binnen maatschappij te functioneren of op welke manier de ICT juist een barrière creëert.

Met dit artikel wil Selwyn nieuwe inzichten verwerven en de discussie over de ‘digital divide’ weer op gang brengen en in stand houden. De ‘digital divide’ is volgens hem dan ook niet alleen een technologisch probleem, maar ook een sociaal economisch, cultureel en politiek probleem.


Stellingen naar aanleiding van het artikel
- De ‘digital divide’ draait om de manier waarop mensen gebruik maken van ICT.
- Door de ‘digital divide’ hebben mensen een nieuwe manier om zich van elkaar te onderscheiden.
- Regeringen moeten zich niet bemoeien met de ‘digital divide’ omdat effectieve rol kan spelen binnen het fenomeen.


Excursie 19-09-2006
Deze week vond de enige excursie van de cursus plaats. Bestemming: De Waag te Amsterdam. In een presentatie zette Henk van Zeijts uiteen waar De Waag zich op het gebied van nieuwe media mee bezig houdt. Zelf is hij binnen de instelling programmamanager onderwijs. De Waag houdt zich als instelling welgeteld binnen vier domeinen bezig: de zorg, de samenleving, de kunst en cultuur en het onderwijs. Binnen deze domeinen hebben ze unieke projecten lopen, vaak op experimentele wijze gebruik makend van nieuwe media. Kort door de bocht zijn een aantal voorbeelden: een systeem om bij ouderen hun diepere herinneringen op te roepen en ze deze te laten delen met anderen, een intellectueel eigendommen deelsysteem dat tegenwicht moet bieden aan het copyright, het visualiseren van een stadskaart door middel van GPS en PDA en de mogelijkheid bieden aan middelbare scholieren om te experimenteren met een audiovisuele performance.

Tijdens de presentatie kon over de op dat moment behandelde onderwerpen vragen worden gesteld. Voor deze vragen was er op het eind van de gehele presentatie, welke was ingekort door tijdgebrek, ook nog tijd ingeruimd. Echter waren toen alle vragen al gesteld en was het jammer te concluderen dat de presentatie wel iets langer had kunnen duren. De projecten van De Waag hadden naar mijn idee een overvloed aan kunstzinnige insteek. Men probeerde vanuit deze insteek een praktisch probleem op te lossen. Echter zorgt dit ervoor dat de projecten maar op een kleine schaal gemaakt en gebruikt zullen gaan worden tot op heden. De maatschappelijke waarde ervan wordt daarmee niet altijd gezocht binnen het grotere geheel, maar binnen de situatie en dat zou je toch niet altijd verwachten van een door de overheid gesubsidieerde instelling.

Werkcollege 21-09-2006
Het werkcollege van week twee was opgesplitst in twee delen. In de eerste helft werd er één op één gediscussieerd en in de tweede helft mocht de eerste groep zijn voorbereid debat voeren.
Tijdens de één op één discussie werd er samen een stelling bepaald, waarop de één voor was en de ander tegen. Beide personen hadden even de tijd om zich voor te bereiden. Het was hierna tijd om drie minuten lang de stelling te verdedigen, waarna de ander deze kon aanvallen. Na in totaal zes minuten werd de discussie opengegooid en kon het debat beginnen. In het debat met Rutger Smoorburg vielen me een aantal dingen op. Hij schreef netjes op met welke punten ik de stelling verdedigde en noemde deze in zijn drie minuten punt voor punt op, terwijl hij mij samenvatte en per punt van mijn ongelijk probeerde te overtuigen. Ik nam automatisch dit gedrag over en op deze manier kon ik hem weer aanvechten op de punten die ik genoteerd had. Het samenvatten van de ander is een sterk punt en op deze manier, zo werd ook door Thomas Poell gesteld, kan je een draai geven aan wat de ander gezegd heeft, waardoor deze samenvatting in je voordeel uitvalt. Ook was een conclusie na dit debat dat het toegeven van het gelijk van een ander een positief punt is, maar hoewel je hem gelijk geeft kun je hem nog op bepaalde haken en ogen wijzen.

In het tweede gedeelte kwam de eerste groep aan de beurt. Zij hadden besloten eerst een stelling binnen hun groep, verdeelt in twee partijen, te bediscussiëren, om daarna ook de rest van de medestudenten toe te laten. Een voorzitter zou dit proces leiden. Wat opviel aan de debatten van de groep was de rol van de voorzitter en de kwaliteit van de stellingen. De stellingen waren mijn inziens niet helder, waardoor de discussie die daarop volgde naar mijn mening meer over de stellingen zelf had kunnen gaan. Uit de rol van de voorzitter hebben we als groep een aantal plus- en minpunten gehaald die ik hier beneden in mijn ‘ground rules’ zal verwerken.

Ground Rules
Presentatie:
+ een open houding
+ duidelijke stelling
+ duidelijk spreken
+ kort maar krachtig zijn; bondig
+ zelfverzekerde houding
- vage argumentatie
- veel gebruiken van ‘euh’
- neerslaan ogen Debatteren:
+ goede houding
+ twee partijen met een ander standpunt ten opzichte van de stelling
+ kennis van zaken
+ luisteren naar elkaar
+ de aanwezigheid van een neutrale partij die de discussie leidt
- niet ingaan op wat de andere gezegd heeft
- niet emotie de overhand te laten nemen

woensdag, september 13, 2006

Week 1

Thema: Grondregels


Lichaamstaal binnen discussies
In het hoorcollege van 12 september 2006 hebben we gekeken naar de film 12 Angry Men. In deze film zie je een groep van twaalf mannen die deel uitmaken van een jury tijdens een proces. De groep mannen moet een jongen van achttien vrijspreken of ter dood veroordelen. Hierbij speelt de overtuigingskracht van de personages een grote rol. De film gaat dan ook geheel over de mannen die elkaar overtuigen van elkanders gelijk.

De bedoeling was om tijdens deze film op de lichaamstaal te letten van de personages en daarbij één persoon uit te kiezen. Hoewel ik wel een personage eruit zal lichten heb ik meer gelet op effectieve en minder tot niet-effectieve lichaamstaal tijdens een discussie. Ik heb deze keuze gemaakt, omdat de cursus zich in mijn ogen richt op het krijgen van een beeld over wat een goed debat is en hoe je je daarbinnen wel of niet effectief moet of kunt gedragen.

Het eerste wat me opviel bij het kijken van de film was de houding van de rechter die de juryleden hun taken uitlegt. De rechter zit er onderuitgezakt bij en straalt hierdoor desinteresse uit. Het gaat echter binnen deze rechtzaak om het leven van een persoon, maar de houding van deze rechter lijkt de toon van het begin van de jury wel vorm te geven. Bij de eerste stemming over het schuldig bevinden van de jongen stemmen elf mannen voor schuldig en één enkele niet schuldig. Het lijkt de mannen niet erg te interesseren om nog eens goed na te denken over het proces dat gevoerd is. Daarmee is niet gezegd dat dit het gevolg is van de houding van de rechter, maar dezelfde lakse houding wordt door het gros van de juryleden overgenomen.

In de discussie die op deze eerste stemming volgt zal de persoon die in de desbetreffende stemming niet schuldig stemde, de rest van zijn standpunt overtuigen. Echter zijn er enkele handelingen die vaak terugkomen binnen deze discussie. Hoewel het ook met het verbale te maken heeft, speelt begrip tonen een rol in het effectief overtuigen van iemand. Het verplaatsen in de situatie van een ander lijkt ook erg belangrijk binnen een discussie, omdat mensen wellicht persoonlijke belangen laten meewegen en er ook zo affiniteit ontstaat tussen personages.

Verder viel het op dat wanneer een persoon in de minderheid is, er meer mensen naar hem zullen luisteren wanneer hij een goede redevoering heeft en de kans daarbij groter is iemand van de tegenpartij te overtuigen. Echter kan de meerderheid er ook voor kiezen deze persoon of personen te negeren. Dit gebeurde veelvuldig binnen de film door het ontwijken van de blik van de persoon die het woord voert. Een extreem voorbeeld hiervan is te vinden richting het einde van de film wanneer zo goed als alle mannen opstaan en met de rug naar de man gaan staan die een onbenullige redevoering heeft. Het personage krijgt op deze manier het gevoel dat hij tegen een muur zit te praten. Er wordt ook gebruik gemaakt van het optillen van de wenkbrauwen. Het optillen gebeurt vaak wanneer een personage zijn gezicht iets naar beneden kantelt, alsof hij de persoon waartegen hij praat letterlijk wil doordringen. Hetzelfde geldt voor het wijzen naar een ander tijdens het spreken.

Als krachtige lichaamstaal behoort het uitstralen van rust. Dit geeft een gevoel van zelfvertrouwen van het personage. De persoon die uiteindelijk iedereen weet te overtuigen onttrekt zich dan ook soms uit een discussie wanneer er voor hem geen winst te halen is wanneer hij zou spreken. Ook speelt het aankijken van de juiste persoon een duidelijke rol in het overtuigen van iemand; het maakt de redevoering persoonlijker. Maar zoals al eerder genoemd kan de persoon waartegen gesproken wordt ook ervoor kiezen om zijn blik af te wenden.

Een van de personages die mij persoonlijk opviel, was de oudere man die de gehele tijd met een zakdoek in de weer was. Wanneer hij sprak stond hij op en liep hij rond de tafel. Op deze manier maakte hij zich groter en leek hij zijn tegenstanders te willen omsingelen. Ook het uitstrekken van de armen en het over iemand anders heen buigen, werd gebruikt om groter te lijken dan een ander. Echter wanneer de redevoering van deze desbetreffende persoon niet sterk was en wanneer hij de moeite niet meer neemt om op te staan en zich fysiek groter te maken, keert de rest hem letterlijk de rug toe.

Het moge duidelijk zijn dat lichaamstaal een rol speelt binnen een discussie. In dit specifieke geval kan er geconcludeerd worden dat de rol van de lichaamstaal groot is en in combinatie met een goede redevoering doorslaggevend kan zijn. Intimidatie van de tegenstander lijkt op de lange termijn niet te overwinnen. Juist een rustige zelfverzekerde manier van discussievoeren heeft in dit geval aan het langste eind getrokken.


Stelling 14-09-2006
Videogames moeten net als muziek digitaal verspreid worden.

Muziek wordt tegenwoordig meer gekocht via het internet dan via de cd-winkels. Dit biedt ook de mogelijkheid om eigen nummers op te nemen en te verspreiden. XboxLive heeft getoond dat het verspreiden van digitale content een succes kan zijn. Met hun Marktplace hebben ze al miljoenen betaalde en onbetaalde content verspreid, van gehele games tot demo’s of trailers. Door het digitaal verspreiden ontstaan er nieuwe mogelijkheden wat betreft de beveiliging, homebrew software en prijsbepaling.


Werkcollege 14-09-2006
In het eerste werkcollege werd er gelijk van start gegaan met het debatteren. Het ging erom te leren hoe je een stelling brengt, alvorens de discussie los kan barsten. De manier waarop je deze stelling ten opzichte van de andere deelnemers van het debat brengt, heeft invloed op het vervolg van het debat en de sterkte van je positie daarbinnen. Ik zal dan ook aan het einde van de evaluatie mijn ‘ground rules’ herzien en ze opdelen in twee groepen: presentatie en discussie.

In het werkcollege moest iedereen binnen een minuut zijn of haar stelling voordragen en deze toelichten, daarna was er een minuut de tijd om daarop te reageren voor de rest van de groep. Verder werden er twee voorzitters aangewezen, die de tijd in de gaten moesten houden en de beurten moesten verdelen, en juryleden die uiteindelijk binnen drie rondes drie winnaars moesten aanwijzen. Deze winnaars werden, zo zou blijken, voornamelijk gekozen op basis van een goede presentatie.

Tijdens de presentaties van de stellingen viel het volgende op. Goed werkt: duidelijk spreken en beargumenteren, een open houding ten opzichte van de groep, kort en bondige inleiding. Niet goed werkt: vage argumentatie, veel ‘euh’ gebruiken tijdens het nadenken. Dit zal ik meenemen in mijn nieuw te formuleren ‘ground rules’.


Ground Rules
In het verleden heb ik vaker gekeken naar Het Lagerhuis en zo nu en dan wilde het vragenuurtje van de Tweede Kamer ook nog wel eens op de beeldbuis verschijnen. Om tot grondregels voor een goed debat te komen, zou ik graag op deze discussies willen reflecteren. Echter liggen deze erg ver en vervaagd in mijn geheugen. Er is daarentegen wel een discussie tussen twee politici bij het programma Nova die me is bijgebleven.

Deze discussie betrof de energievoorziening binnen Nederland. Een van de deelnemers was dhr. Brinkhorst, de ander maakte deel uit van de PvdA. Hoewel ik kan uitweiden over de inhoud van het onderwerp, viel mij juist de houding en redevoering van beide personen op. Deze lagen lijnrecht tegenover elkaar. Daar waar toenmalig minister Brinkhorst vooral steun zocht bij de status van zijn functie, en de daarbij schijnbaar horende wijsheid, viel de ander terug op zijn kennis van zaken. Elk argument van de minister wist hij ter discussie te stellen of onderuit te halen. Nu moet gezegd worden dat de minister dan ook niet veel meer moeite deed dan een ‘als ik het zeg dan zal het wel goed zijn voor iedereen’-houding aan te nemen. Hij voerde achterovergezakt in zijn stoel de discussie, terwijl de ander voorovergebogen over de tafel heen zat en geen spaan van hem heel liet. Dit leek de minister weinig te interesseren. Een goede vraag op dit moment is: “Wat maakt een debat goed?” Hoe bepaal ik of het debat van Nova een goed of een slecht debat is. Dit is waar ik mijn grondregels voor nodig heb; een maatstaf die ik in het verloop van de cursus waarschijnlijk bij zal stellen. Afgeleid van de film die getoond werd in het openingscollege en het debat bij Nova kan ik op dit moment een aantal positieve en negatieve kenmerken opstellen die een debat maken of breken. Belangrijk voor een goed en aantrekkelijk debat is het hebben van twee partijen die elk een andere, en het liefst tegenovergestelde, houding innemen ten opzichte van het fenomeen. Alleen op deze manier kan er een zinnige en verdiepende discussie worden gevoerd. Binnen deze discussie moeten er mensen aanwezig zijn met kennis van zaken, en die over een duidelijke redevoering beschikken. Dit vormt op dit moment in mijn ogen de fundering van een goede en dus nuttige discussie.

Een discussie loopt echter spaak als beide partijen weigeren naar elkaar te luisteren; niet voor rede vatbaar zijn. Beide dienen open te staan voor wat de ander te vertellen heeft. Het kan het ook fout gaan op het gebied van betrokkenheid bij het onderwerp. Emotie en persoonlijke belangen zijn belangrijke elementen, maar mogen niet de algehele overhand krijgen. Het is dus van belang dat er ook een neutrale partij aanwezig is die de discussie op een of andere manier kan controleren, zodat deze op een efficiënte wijze gevoerd kan worden.