donderdag, oktober 19, 2006

Week 5

Thema: logboeken


In the Right Place at the Right Time
Technologische ontwikkelingen brengen voor- en nadelen met zich mee. Bloomfield gaat in zijn artikel “In the Right Place at the Right Time” in op de toepassing van elektronische “tagging.” Het meest voorname onderwerp van de tekst is orde. Dit heeft niet alleen te maken met het scheppen van maatschappelijke orde en veiligheid, maar ook het verder structureren van de samenleving.

Tagging bestaat in twee vormen. Een actieve en een passieve tag. Het verschil tussen beide is dat de actieve tag voortdurend een signaal afgeeft dat kan worden opgevangen en een passieve tag moet worden geactiveerd met een meetinstrument, bijvoorbeeld een detectiepoortje. Een actieve tag is verder veel duurder dan een passieve tag, die daarom minder snel ergen wordt toegepast.

Het taggen van voorwerpen gebeurd naar het idee van Bloomfield om orde in chaos te scheppen. We willen weten wanneer wat op welke tijdstip op welke plaats is, zonder dat daar menselijk toezicht voor nodig is. Denk hierbij aan het taggen van baby’s in het ziekenhuis tot ongekochte artikelen in de winkel. Het voordeel van taggen wordt op veel plaatsen ingezet, maar de schaduwzijde wordt vooral door Bloomfield besproken.

De technologische oplossingen die voor wanorde problemen worden ingezet zijn meestal beter dan de oplossing die daarvoor bestond. Dit “beter” berust niet altijd op kwaliteit, maar kan ook te maken hebben met een economisch aspect. Echter wordt de mens op deze manier erg afhankelijk van een technologische oplossing, die ook zo zijn hiaten bevat. De mens lijkt zijn verantwoordelijkheid van veiligheid af te schuiven op deze technologie.

Echter past het idee van alles willen ordenen binnen het beeld dat Adorno van het kapitalisme heeft. Hij ziet het als een systeem waarbij de mens alles wil structuren om het voorspelbaar te maken. Het uitschakelen van oncontroleerbare factoren is daarbij essentieel. Wanneer de mens alle entiteiten in de wereld gaat taggen, om telkens te kunnen zien waar wat zich op welk tijdstip bevindt zal dat een groter beeld van orde scheppen.

De keerzijde van dit geheel is dat elke manier om orde te scheppen het, mocht de beveiliging niet afdoende zijn, het criminaliteit mogelijk maakt. De camera die in een winkel hangt tegen winkeldiefstal heeft misschien een preventieve werken, maar als er niemand is die de banden achteraf bekijkt zal de camera geen diefstal opsporen. Bij deze manier van beveiligen ligt de agency nog steeds bij de mens en niet de machine.

Hoorcollege 10-10-2006
Met Big Brother als onderwerp van de week kwamen Klaas Kuitenbrouwer en Stefan Kosters daarover wat meer vertellen in het hoorcollege. De presentatie die beide heren tezamen gaven was gericht op het gebruik van de zogenaamde Radio Frequency Identification Device; RFID. Dit zijn chips die geproduceerd kunnen worden tot op een grootte van 0,15 mm en een signaal uit kunnen zenden. De chips kunnen worden gezien als een vorm van digitale streepjescodes. Echter bevat een RFID 64 bits en een barcode maar 8 bits. Er kan daarom veel meer informatie op worden geslagen. Dit maak het mogelijk om objecten individueel te taggen in plaats van een groep.

Er zijn twee vormen van RFID: actieve en passieve. Bij een actieve vorm zendt de chip voordurend een signaal uit. Dit wordt bijvoorbeeld gebruikt voor gevangenen met huisarrest. Echter bij een passieve chip wordt het signaal opgewerkt door een detectie apparaat. Deze vorm kom je tegen in bibliotheken en winkels als diefstalbeveiliging. Dit is ook de meest voorkomende vorm van RFID.

De opkomst van deze technologie kent zijn voor en tegenstanders. Mensen die RFID toejuichen zijn voornamelijk uit industriële, commerciële en technologische sectoren. Ze zien RFID als een revolutionair wondermiddel dat kan zorgen voor meer efficiëntie en zal zorgen voor kosten- en tijdsbesparing. Tegenstanders zijn voornamelijk consumentenbelangen-, burgerrechten- en privacyorganisaties. De groep is van mening dat tags moeten worden gedeactiveerd na de aankoop van een product, persoonsgegevens los moeten staan van de tags, mensen bewust moeten worden gemaakt van de aanwezigheid van deze chips en dat de chips inherent onveilig zijn. De vraag die echter een rol lijkt te spelen in dit debat is de vraag over agency. Deze in de richting van de producenten verschuiven, maar ook naar de consument. Het vrijgeven van bepaalde persoonlijke gegevens kan juist leiden tot een betere behandeling van de consumenten binnen massa, zonder als groep binnen een massa behandeld te worden; in een hokje te worden gestopt.


Werkcollege 12-10-2006
Zoals elke week moest er door een groepje in de twee helft van het college een debat worden georganiseerd. Deze week betrof dat het groepje waarin ik me bevond. Net als de week ervoor moesten we niet alleen zorg dragen voor de stellingen en organisatie van de tweede helft, er moest ook een stelling worden bedacht voor het debat van het eerste uur.

In het eerste uur hadden we gekozen voor de stelling: “Door de controle door technologische middelen wordt de verantwoordelijkheid afgeschoven op de technologie en dit gaat ten koste van het sociale aspect.” Het fenomeen betrof bijvoorbeeld magnetische detectiepoortjes in winkels. Wanneer iemand er doorheen loopt en de poort gaat “af”, lopen mensen dan door omdat ze denken dat iemand anders er wel op zou reageren? Omdat er een camera hangt hoeft de gewone consument dan niet meer op te letten? We hadden gehoopt dat het debat deze insteek zou hebben, maar het liep echter anders. Tijdens de discussie werd er niet ingegaan op de verhouding tussen sociale controle en technische controle, maar meer over het thema veiligheid op zich.

De stelling werd ditmaal ook weer ingeleid door de voorzitter. Hierbij werden er echter voor en tegenargumenten geven. Dat dit niet de bedoeling is, hadden we al in eerdere werkcolleges gezien en ook in de ground rules; de voorzitter dient onpartijdig te zijn en niet deel te nemen in het debat. Tijdens het debat zelf ontstond er duidelijk contrast tussen twee partijen. De partij die tegen was praatte veelal langs elkaar heen en gingen niet door op punten die eerder in het debat door hun groep werden aangedragen. De andere partij deed dit echter wel, waardoor ze een sterker front vormden samen. Het was op deze manier ook duidelijker waar de voorpartij nu voor stond, ten opzichte van het standpunt van de tegenpartij. Hier bleek hoe goed het is om een duidelijke lijn aan te houden als groepjes. Tijdens dit debat lette ikzelf op brongebruik. Er was één iemand die naar voren kwam met een bron, waaruit bleek dat hij zich had voorbereid, maar wist de inhoud van deze bron niet over te brengen. Hierdoor verloor zijn groep niet alleen tijd, maar ook een mogelijkheid om een goed tegenargument in te brengen.

Voor het tweede uur hadden we twee stellingen voorbereid, en wel de volgende:

- De overheid moet ouders de mogelijkheid bieden het internetgebruik van hun kinderen te controleren.
- Tbs'ers moeten een actieve tag krijgen.

Om het voorbereiden op het tweede uur wat makkelijker te maken, hadden we ervoor gekozen de groep in tweeën op te delen. Daarbij hebben keuzes gemaakt gebaseerd op eerder werkcolleges, en op welke manier studenten zich daarbinnen presenteerden, om zo een zo evenwichtig mogelijk verdeling te hebben. De indeling was als volgt:

Groep 1
Coen Estelle Freek Hessel Inge Jessie Michiel Stefan

Groep 2
Arijjen Arthur Lieke Nadine Rik Rozemarijn Rutger Tim

Er was op Webct vermeld dat groep 1 voor de stelling zou zijn en groep 2 uiteraard tegen. Daarnaast werd er expliciet de opdracht gegeven je goed voor te bereiden op de argumentatie van de tegenpartij. We hadden dit gedaan om binnen het werkcollege te experimenteren met het innemen van een standpunt. Het standpunt van de groepen werd dan ook op het laatste moment omgedraaid. Groep 1 moest dus tegen de stellingen debatteren en groep 2 voor. Nadat ik deze informatie als voorzitter van het tweede uur aan de studenten bekend maakte, werd er zeer verontwaardigd gereageerd.

Toen de rust was teruggekeerd en iedereen zich bij de situatie had neergelegd kon het debat beginnen. Ik had er als voorzitter voor gekozen om beide groepen één minuut te geven om hun standpunt duidelijk te maken, daarna zou het debat een achttal minuten mogen losbarsten. De discussie die volgde was naar mijn idee een goede en duidelijke. Hoewel de groepen zich anders hadden voorbereid zag je naarmate het debat voortduurde, ze met steeds sterkere argumenten komen. Hier waren we als organiserende groep tevreden over.

In het tweede gedeelte van het door ons georganiseerde debat, wilde we de personen die dominant waren geweest bij d eerste stellingen, eruit filteren. We hoopten hiermee dat de mensen die daarvoor minder aan het woord waren geweest zichzelf ook zouden profileren. Uiteindelijk werden er van elke groep drie mensen aan de kant gezet. Daar zaten ze niet alleen om het aankomende debat te aanschouwen, maar om aantekeningen te maken waar het goed of fout ging bij hun eigen groep. Op het moment dat je namelijk iemand anders kunt uitleggen waarom hij iets goed of iets slecht doet, heb je een goed inzicht verschaft in de stof, in dit geval het debatteren. Sommige mensen kwamen wel meer aan het woord dan normaal, maar niet geheel zoals we gehoopt hadden. De mensen die aan de kant waren gezet hadden echter ook niet helemaal het doel van hun rol begrepen. Er was maar een persoon die iets constructiefs te melden had over wat zijn groepje nu goed of slecht had gedaan.

Zelf had ik deze week in het tweede uur de rol van voorzitter. Omdat ik normaal in een werkcollege mezelf redelijk veel op de voorgrond zette, vond ik het interessant om te kijken in hoeverre ik me uit het debat als voorzitter kon onttrekken. Van te voren gaf ik aan dat mensen naar voren konden stappen, wanneer zij iets te zeggen hadden en daarop zou ik dan een beurt geven. Met het geven van deze beurten probeerde ik zoveel mogelijk alle leden van een groep aan het woord te laten. Op het moment dat een groep wel erg begon te overheersen heb ik ervoor gekozen om soms twee mensen van een groep kort achter elkaar wat te laten zeggen. Dit deed ik ook wanneer er niemand van de tegenpartij naar voren was gestapt. Ik heb naast het geven van een korte inleiding, het geven van een beurt en het soms heel kort samenvatten niet veel meer gedaan als voorzitter. Zelf was ik hier tevreden over, omdat ik normaal moeite heb met niet op de voorgrond treden.

Ground Rules
Deze week is gebleken dat, wanneer een groep samen een richting kiest in een debat, ze veel sterker over komen dan een partij die dit niet doet. Op deze manier ondersteunen de leden van een debatgroep elkaar en is de kans dat op een bepaald niveau gebleven kleiner wordt. Verder waren er geen nieuwe of verbeterpunten die ik in mijn ground rules wil toevoegen of veranderen.

Presentatie:

De houding of het fysiek binnen een presentatie, maar ook binnen het debat, zijn van essentieel belang. De uitstraling die je hiermee creëert kan bepalend zijn voor de opvatting die de tegenstander over je construeert. Zoals gebleken is in het werkcollege is het hebben van de handen in de zakken of een hand voor de mond terwijl er gesproken wordt een negatieve uitwerking heeft. Binnen dit gedeelte valt ook het hebben van een open houding, waarmee de aandacht van de tegenstander en het publiek kan worden getrokken. Verder is het van belang de persoon aan te kijken tegen wie het verhaal vertelt wordt. Op deze manier heeft de persoon in kwestie een groter gevoel van betrokkenheid. Dit is ook van belang om de aandacht van het publiek erbij te houden en geeft de spreker een zelfverzekerdere houding die nodig is om een anders van een standpunt te kunnen overtuigen.

Het is bij de presentatie van de positie ten opzichte van de stelling van belang dat deze duidelijk is. Omdat er bij de stelling twee extremen mogelijk zijn is het van belang een van deze extremen op het begin zoveel mogelijk in te nemen. Dit geeft de tegenstander minder ruimte. Duidelijk spreken, zonder het veelvuldig gebruik van het woordje ‘euh’ is een pré.

De argumentatie in de presentatie dient kort en bondig te zijn, waarbij de tijd in ogenschouw moet worden gehouden. Het komt wel een voor dat iemand zijn punt nog niet heeft gemaakt waardoor deze mogelijkheid ook vervalt. Echter kan het ook voorkomen dat er nog veel tijd over is die benut had kunnen worden om de tegenstander te overtuigen voor een standpunt op het gebied van meerdere thema’s.

Wanneer als tweede gepresenteerd dient te worden werkt samenvatten van wat de ander gezegd heeft verhelderend. Op deze manier kan de ander worden samengevat op een manier waardoor dit in het eigen voordeel kan werken.

Het is van belang dat, wanneer er in een groep wordt gedebatteerd, de groepsleden samen van te voren hebben afgesproken welke lijn ze binnen een debat kiezen. Op deze manier kunnen ze elkaar niet alleen ondersteunen, maar ook een punt steeds verder uitdiepen. De kans dat op deze manier het debat naar deze éénlijnige partij kantelt wordt dan groter, omdat het debat op deze manier makkelijker te sturen is.

Debatteren:
Om een duidelijk debat te voeren moeten beide partijen een duidelijke positie innemen ten opzichte van de stelling. Deze stelling zorgt daar zelf al voor, maar grijze gebieden moeten duidelijk gedefinieerd worden naar de positie van elke partij.

Een goede voorbereiding zorgt ervoor dat een partij in het debat kennis van zaken heeft. De kennis kan goed gebruikt worden, vooral wanneer deze bronnen bevat. Het gebeurd nog niet veel, maar wanneer er een bron wordt gebruikt komt dit veel krachtig over. Echter moet deze bron wel duidelijk worden geven. Het is wel eens voorgekomen dat iemand zei: ”Ik heb ergens gelezen dat…, maar ik weet niet meer waar.” Dit komt totaal niet sterk over.

Het is van groot belang dat je goed luistert naar wat de tegenstander te zeggen heeft. Niet alleen om te weten waarover deze het heeft of om een tegenargument te formuleren., maar bovenal om het levend debat te houden. Wanneer er niet wordt ingegaan op wat er gezegd wordt praten mensen langs elkaar heen en vindt er in principe ook geen debat meer plaats, maar twee losse monologen. Samenvatten kan hierbij een grote hulp zijn.

Tegen iemand in blijven gaan wanneer je weet dat hij gelijk heeft is niet zinvol. Het is juist goed om toe tegen wanneer iemand een goed punt heeft. Wat daarbij krachtig werkt is de persoon erop attent te maken op welke facetten zijn punt hiaten vertoont. Dit ontkracht zijn argumentatie enigszins.

Het aandragen van nieuwe thema’s kan in je voordeel werken. Een debat wordt vaak niet binnen een thema, bijvoorbeeld privacy, gevoerd. De stelling binnen een nieuw thema plaatsen kan een voordeel verschaffen ten opzichte van de andere partij binnen het debat. Waar een stelling namelijk op binnen sommige thema’s goed uitpakt voor de ene partij is deze binnen een andere thema meer in het voordeel van de ander.

Voorzitter:

De voorzitter een neutrale partij. Deze neutrale positie dient hij of zij dan ook op elke moment te waarborgen. Het is niet goed wanneer een voorzitter partij kiest of een argument van een partij publiekelijk afkeurt. Deze partij is nodig om het debat in goede banen te leiden en ervoor te zorgen dat deze levend blijft. Deze neutrale partij treedt verder zoveel mogelijk op de achtergrond van een debat en heeft een ondersteunende functie.

De voorzitter stelt iedereen voor aan het begin en geeft tijdens het debat beurten. Het is van belang dat deze beurten niet systematisch worden gegeven, bijvoorbeeld het rondje afgaat, maar dat de mensen die op het zojuist gemaakte punt willen ingaan. De voorzitter kan daarbij ook het debat terugbrengen naar de stelling wanneer hier teveel van wordt afgeweken, wat een tactiek kan zijn van een partij.

Verder is het bevorderlijk wanneer de voorzitter kort samenvat wat partijen te zeggen hebben. Hierdoor blijft het duidelijk welke houding partijen innemen. Echter kan de voorzitter ook te veel en te lang samenvatten. Dit verstopt het debat en komt het daardoor dan ook niet ten goede.