Week 4
Gaming the System. What Higher Education Can Learn from Multiplayer Online Worlds
Educatie en games. Met de opkomst van het medium computergames rijst de vraag welke mogelijkheden dit medium met zich meebrengt voor het onderwijs. In “Gaming the System: What Higher Education Can Learn from Multiplayer Online Worlds” kijkt J.C. Herz naar de mogelijkheden die heden ten dage populaire MMORPG’s bieden. Het gaat hier voornamelijk om virtuele gemeenschappen.
Met de komst van Massive Multiplayer Online RolePlaying Games (MMORPG’s) ontstaan er online gemeenschappen waarbij mensen een collectieve intelligentie opbouwen binnen een virtuele werkelijkheid. Deze virtuele omgevingen bestonden echter al langere tijd op internet met betrekking tot games. Met het vrijgeven van broncodes van games kregen consumenten de mogelijkheid om eigen content toe te voegen en een product aan te passen en wellicht te verbeteren. Herz geeft hiervoor het voorbeeld van de ReaperBot, de beste computergestuurde speler in het spel Quake II, die werd geprogrammeerd door een gebruiker.
Een ander voorbeeld is Unreal Tournament, maar voornamelijk zijn opvolger Unreal Tournament 2004. Sponsoren en het bedrijf dat het spel maakt loont elk jaar een miljoen aan prijzengeld uit voor user-created content. Binnen de virtuele omgevingen zijn er een aantal mensen die andere mensen onderwijzen in de mogelijkheden en die dan ook daadwerkelijk deze content maken. Er is echter een veel grotere groep die niet de content maakt, maar deze gebruikt. Er ontstaat een systeem waarbij het product door consumenten wordt verbeterd.
De collectieve intelligentie die op deze manier ontstaat, moet volgens Herz niet door het onderwijs onderschat worden. De mogelijkheid om een dergelijke omgeving te creëren voor het ondersteunen van het onderwijs en de eigenschap van de RPG’s, het “levelen”, dient echter in ogenschouw te worden genomen. De huidige ontwikkeling in het onderwijs, waarbij competentieleren wordt ingevoerd, lijkt zich hier goed voor te lenen. Door aandacht te besteden aan verschillende competenties (skills) kan de student deze verbeteren en in “level” stijgen. Het “levelen” in RPG’s wordt echter gebruikt in de vorm van een beloning. De vraag is of dit ook zo zou werken binnen het onderwijs.
Gonzales Frasca haalt in zijn column op http://watercoolergames.com aan dat er binnen het onderzoeksgebied van games iets vreemds gebeurt. Er wordt volgens Frasca teveel gekeken naar de AAA-titels. In vergelijking met film zou dit betekenen dat alleen de Hollywood-film aandacht verdient. Games binnen het onderwijs zijn wellicht mogelijk, maar met moet niet gebruik willen maken van de commerciële titels. Er zal een geheel eigen dramaturgie nodig zijn, mocht dit medium worden toegepast. Echter laat Herz met haar artikel duidelijk zien dat de facetten die het medium games met zich meedraagt, een educatieve eigenschap in zich hebben. En wanneer we een game definiëren als een door regels en wetten gecreëerde wereld, dan is het hele leven een spel waarbinnen we een rol aannemen.
Hoorcollege 03-10-2006
De gastspreker van deze week is Robert-Jan Simons. Hij behoort tot het instituut expertisecentrum ICT in het onderwijs aan de universiteit van Utrecht. Hij kwam vertellen over de integratie van ICT binnen het hoger onderwijs. Er werd ingegaan op de huidige situatie en zoals het er wellicht in de toekomst uit gaat zien. De titel van zijn presentatie was dan ook niet voor niets: “Niet willen wat er kan maar (op tijd) kunnen wat we willen.” Tijdens zijn lezing konden er tussendoor vragen gesteld worden om eventueel een onderwerp te verdiepen. Simons vroeg zelf ook zo nu en dan om een respons uit de zaal.
Binnen het huidige hogere onderwijs wordt er gebruik gemaakt van ICT, maar Simons ziet dit in de toekomst veranderen. De generatie kinderen die over een vijf- tot zestal jaren aan zal treden als student zijn wellicht beter getraind in het omgaan met ICT dan de huidige en vorige generaties. Het vraagstuk is dan ook hoe deze expertise onder de jeugd op het gebied van ICT eventueel uit te buiten. Echter bestaat er binnen het onderwijs altijd een vorm van generatiekloof tussen student en docent. De studenten zijn misschien toe aan een nieuwe manier van leren, maar de docenten moeten daar ook toe bereid zijn, ofwel voor openstaan. En hier zit het probleem een beetje met het introduceren van mogelijke nieuwe ICT middelen binnen het onderwijs; ze moeten wel geaccepteerd worden binnen de academische wereld.
Verder ging het nog over de nieuwe vorm van leren op basis van competenties. De scheefgegroeide relatie tussen de hoeveelheid werk tussen docent en student wordt hierdoor veranderd. Studenten bepalen zelf wanneer ze wat leren en hoe ze dat doen. Er is geen vaste weg meer van het startpunt tot het einde. Er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden. De docent wordt binnen dit systeem meer een begeleider en schatbewaker, om de student te ondersteunen tijden zijn proces. Ook helpen de studenten elkaar door middel van feedback om een beter eindproduct neer te zetten. Deze methode wordt voornamelijk toegepast binnen het HBO.
Het was een heldere en duidelijke lezing over hoe het op dit moment binnen het hoger onderwijs staat met ICT. Er werd geen echt standpunt ingenomen door Simons, maar meer een weg getoond die ingeslagen is en waarbij nog niet duidelijk is welke afslagen er genomen moeten worden. Het lijkt erop dat de ICT meer bij het onderwijs betrokken zal worden in de toekomst, maar hoe we bij dat doel zullen komen en welk doel dit precies is zal de toekomst nog moeten uitwijzen.
Werkcollege 05-10-2006
In het werkcollege van week 3 had iedereen een rol toebedeeld gekregen, welke hij of zij in het werkcollege van week 4 ter uitvoering zou moeten brengen. Ik had ervoor gekozen, wat op het begin nog kon, om mee te debatteren in plaats van het debat te analyseren op een bepaalde manier. Ik ben van mening dat ik beter in het debat zelf kan deelnemen, omdat ik vaak de drang heb om iets zeggen. Echter zou langs de zijlijn staan misschien wel eens een goede oefening zijn, maar deze week nog niet.
Het debat van het eerste uur werd gevoerd over de stelling: “Leervormen in regulier onderwijs moeten losstaan van de ervaring van leerlingen.” De groep die deze stelling had bedacht had dit voor het eerst gedaan naar aanleiding van een bron: “Generatie Einstein weet het beter”, van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zo had iedereen die deelnam aan het debat al wat extra informatie en wist iedereen waar we het over gingen hebben. Dit kwam ook wel duidelijk naar voren in het debat, omdat dit redelijk duidelijk werd gevoerd. Echter haalde niemand echt het artikel aan om zijn punt te maken. Zelf had ik ter voorbereiding het artikel gelezen en een paar standpunten opgeschreven. Mijn belangrijkste standpunt was dat in het onderwijs nieuwe ervaringen moeten worden opgedaan en dat niet al bestaande kennis en opgedane ervaringen worden herhaald. Op deze manier zou niemand vooruitgang kunnen boeken of nieuwe inzichten verkrijgen. Uiteindelijk heb ik veel bijgedragen aan het debat, maar was dit niet altijd constructief genoeg. Ik zal in de toekomst met betere voorbeelden moeten komen of bronnen gebruiken.
In het tweede uur zouden twee stellingen aan bod komen. Deze waren door de groep van de week op Webct geplaatst. Naar aanleiding van de afgelopen weken, waar veelal werd gediscussieerd over de kwaliteit van de stelling, besloot ik deze stellingen van te voren te beoordelen. De groep had bij de tweede stelling gekozen voor: “Wetenschappelijk onderwijs moet het gebruik van ICT weren.” Dit was in mijn ogen niet genuanceerd genoeg, want ICT weren neemt een veel te extreem punt in binnen het debat. Ik stelde dan ook de volgende stelling voor: “Het gebruik van ICT (digitaal) binnen het wetenschappelijk onderwijs moet niet de overhand krijgen ten opzichte van de analoge mogelijkheden.” Het debat dat over deze stelling volgde ging echter ook niet de goede kant op. Er werd een verband gezien tussen de hoeveelheid methoden en de overhand hebben. Wanneer er bijvoorbeeld meer digitale methoden werden gebruikt (Webct, mail, tekstverwerking) dan zou dit de overhand hebben over (boeken lezen, hoorcolleges). Dit probeerde ik nog recht te zetten binnen het debat, maar dit werd helaas niet overgenomen, waardoor het debat wel heel eenzijdig bleef in het voordeel van de dominantie van de digitale methoden.
Ground Rules
Naar aanleiding van het commentaar van vorige week heb ik besloten terug te gaan naar een beschrijvend model voor de ground rules in plaats van een opsomming. In het algemeen worden in de beschrijving van het werkcollege al voorzetjes gegeven voor deze ground rules. Verder heb ik de tweedeling tussen presentatie en debat behouden, maar heb ik het onderdeel voorzitter vanuit het debat gedeelte onttrokken en hiervan een apart gedeelte van gemaakt. Echter moet wel gezegd worden dat de ground rules van het presenteren ook gelden voor het debatteren.
Presentatie:
De houding of het fysiek binnen een presentatie, maar ook binnen het debat, zijn van essentieel belang. De uitstraling die je hiermee creëert kan bepalend zijn voor de opvatting die de tegenstander over je construeert. Zoals gebleken is in het werkcollege zorgt het hebben van handen in de zakken of een hand voor de mond terwijl er gesproken wordt, voor een negatieve uitwerking. Binnen dit gedeelte valt ook het hebben van een open houding, waarmee de aandacht van de tegenstander en het publiek kan worden getrokken. Verder is het van belang de persoon aan te kijken tegen wie het verhaal verteld wordt. Op deze manier heeft de persoon in kwestie een groter gevoel van betrokkenheid. Dit is ook van belang om de aandacht van het publiek erbij te houden en geeft de spreker een zelfverzekerdere houding die nodig is om een ander van een standpunt te kunnen overtuigen.
Het is bij de presentatie van de positie ten opzichte van de stelling van belang dat deze duidelijk is. Omdat er bij de stelling twee extremen mogelijk zijn is het van belang een van deze extremen op het begin zoveel mogelijk in te nemen. Dit geeft de tegenstander minder ruimte. Duidelijk spreken, zonder het veelvuldig gebruik van het woordje ‘euh’ is, een pré.
De argumentatie in de presentatie dient kort en bondig te zijn, waarbij de tijd in ogenschouw moet worden gehouden. Het komt wel eens voor dat iemand zijn punt nog niet heeft gemaakt, waardoor deze mogelijkheid ook vervalt. Echter kan het ook voorkomen dat er nog veel tijd over is die benut had kunnen worden om de tegenstander te overtuigen voor een standpunt op het gebied van meerdere thema’s.
Wanneer als tweede gepresenteerd dient te worden, werkt samenvatten van wat de ander gezegd heeft, verhelderend. Op deze manier kan de ander worden samengevat op een manier waardoor dit in het eigen voordeel kan werken.
Debatteren:
Om een duidelijk debat te voeren, moeten beide partijen een duidelijke positie innemen ten opzichte van de stelling. Deze stelling zorgt daar zelf al voor, maar grijze gebieden moeten duidelijk gedefinieerd worden naar de positie van elke partij.
Een goede voorbereiding zorgt ervoor dat een partij in het debat kennis van zaken heeft. De kennis kan goed gebruikt worden, vooral wanneer deze bronnen bevat. Het gebeurt nog niet veel, maar wanneer er een bron wordt gebruikt, komt dit veel krachtig over. Echter moet deze bron wel duidelijk worden geven. Het is wel eens voorgekomen dat iemand zei: ”Ik heb ergens gelezen dat…, maar ik weet niet meer waar.” Dit komt totaal niet sterk over.
Het is van groot belang dat je goed luistert naar wat de tegenstander te zeggen heeft. Niet alleen om te weten waarover deze het heeft of om een tegenargument te formuleren, maar bovenal om het een levend debat te houden. Wanneer er niet wordt ingegaan op wat er gezegd wordt, praten mensen langs elkaar heen en vindt er in principe ook geen debat meer plaats, maar twee losse monologen. Samenvatten kan hierbij een grote hulp zijn.
Tegen iemand in blijven gaan wanneer je weet dat hij gelijk heeft, is niet zinvol. Het is juist goed om toe te geven wanneer iemand een goed punt heeft. Wat daarbij krachtig werkt, is de persoon erop attent te maken op welke facetten zijn punt hiaten vertonen. Dit ontkracht zijn argumentatie enigszins.
Het aandragen van nieuwe thema’s kan in je voordeel werken. Een debat wordt vaak niet binnen een thema, bijvoorbeeld privacy, gevoerd. De stelling binnen een nieuw thema plaatsen kan een voordeel verschaffen ten opzichte van de andere partij binnen het debat. Waar een stelling namelijk binnen sommige thema’s goed uitpakt voor de ene partij, is deze binnen een ander thema meer in het voordeel van de ander.
Voorzitter:
De voorzitter is een neutrale partij. Deze neutrale positie dient hij of zij dan ook op elk moment te waarborgen. Het is niet goed wanneer een voorzitter partij kiest of een argument van een partij publiekelijk afkeurt. Deze partij is nodig om het debat in goede banen te leiden en ervoor te zorgen dat deze levend blijft. Deze neutrale partij treedt verder zoveel mogelijk op de achtergrond van een debat en heeft een ondersteunende functie.
De voorzitter stelt iedereen voor aan het begin en geeft tijdens het debat beurten. Het is van belang dat deze beurten niet systematisch worden gegeven, bijvoorbeeld het rondje afgaat, maar dat de mensen die op het zojuist gemaakte punt willen ingaan, aan de beurt komen. De voorzitter kan daarbij ook het debat terug brengen naar de stelling, waarneer hier teveel van wordt afgeweken, wat een tactiek kan zijn van een partij.
Verder is het bevorderlijk wanneer de voorzitter kort samenvat wat partijen te zeggen hebben. Hierdoor blijft het duidelijk welke houding partijen innemen. Echter kan de voorzitter ook te veel en te lang samenvatten. Dit verstopt het debat en komt dan ook niet ten goede van het debat.

